Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:561

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
200.346.342/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39f lid 1 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevensArt. 455 SvArt. 285b SrArt. 284 SrArt. 261 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige verstrekking strafrechtelijke gegevens door OM aan Veilig Thuis en te late mededeling intrekking hoger beroep

Eiseres werd verdacht van stalking jegens haar ex-echtgenoot, waarna het Openbaar Ministerie (OM) strafrechtelijke gegevens aan Veilig Thuis (VT) verstrekte. Dit leidde ertoe dat eiseres geen meldingen meer durfde te doen bij VT, wat het hof onrechtmatig achtte vanwege disproportionaliteit en schending van privacy. Daarnaast informeerde het OM eiseres te laat over de intrekking van het hoger beroep, wat eveneens onrechtmatig was.

De feiten betreffen een langdurige conflictueuze relatie tussen eiseres en haar ex-echtgenoot, met meerdere procedures over ouderlijk gezag en meldingen bij VT over het welzijn van hun zoon. Het OM startte een strafrechtelijk onderzoek naar eiseres wegens smaad en belaging, maar trok het hoger beroep later in zonder haar tijdig te informeren.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat de verstrekking van strafrechtelijke gegevens aan VT niet proportioneel was en dat de mededeling over de intrekking van het hoger beroep te laat was gedaan. Eiseres kreeg een schadevergoeding toegekend voor immateriële en materiële schade, waaronder advocaatkosten en vergoeding voor de privacy-schending. Andere vorderingen, zoals een brief aan VT, werden afgewezen.

De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige omgang met strafrechtelijke gegevens en tijdige communicatie door het OM, zeker in gevoelige zaken met impact op privacy en gezinsrelaties.

Uitkomst: Het hof veroordeelt de Staat tot betaling van € 5.540 aan eiseres wegens onrechtmatige verstrekking van strafrechtelijke gegevens en te late mededeling van intrekking hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Zaaknummer hof : 200.346.342/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/654606/HA ZA 23-847
Arrest van 7 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eiseres in hoger beroep,
advocaat: mr. M.Ch. Kaaks in Amsterdam,
tegen
de Staat der Nederlanden(Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelend in Den Haag,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. J. Perenboom in Den Haag.
Het hof zal partijen hierna noemen [eiser] en de Staat.

1.De zaak in het kort

1.1
[eiser] is van mening dat een officier van justitie niet aan Veilig Thuis had mogen doorgeven dat [eiser] verdacht werd van ‘stalking’ van haar ex-echtgenoot (in de vorm van het herhaaldelijk uiten van – volgens de officier van justitie ongefundeerde – beschuldigingen aan het adres van die ex-echtgenoot). Dit had volgens [eiser] tot gevolg dat zij geen meldingen meer aan Veilig Thuis durfde te doen. Ook stelt [eiser] zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie eerder aan haar had moeten doorgeven dat het hoger beroep tegen het strafvonnis waarbij [eiser] van stalking werd vrijgesproken, door het Openbaar Ministerie werd ingetrokken. [eiser] vordert in dit geding dat de Staat haar daarvoor schadevergoeding betaalt.
1.2
Het hof stelt [eiser] op beide punten in het gelijk en veroordeelt de Staat schadevergoeding aan haar te betalen. Enkele bijkomende vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 26 augustus 2020 (het hof begrijpt dat dit gelezen moet worden als: 2024 [1] ), waarmee [eiser] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2024;
- de memorie van grieven, tevens eiswijziging, van [eiser] (met producties 1 tot en met 27);
- de memorie van antwoord, tevens akte houdende uitlating eiswijziging, van de Staat;
- de pleitnota’s die de advocaten van partijen bij gelegenheid van het schriftelijke pleidooi hebben overgelegd.

3.Feiten en achtergronden van deze zaak

3.1
[eiser] is in 2008 getrouwd met de heer [ex-echtgenoot] (hierna: [ex-echtgenoot] ). Uit deze relatie is op [geboortedatum] een zoon ( [zoon] ) geboren. In 2010 is de echtscheiding tussen [eiser] en [ex-echtgenoot] uitgesproken. [eiser] en [ex-echtgenoot] hebben sindsdien diverse procedures tegen elkaar gevoerd over het ouderlijk gezag en de omgangsregeling met [zoon] . Uiteindelijk is het ouderlijk gezag geheel toegewezen aan [ex-echtgenoot] .
3.2
[ex-echtgenoot] is in de jaren ’90 twee keer strafrechtelijk veroordeeld voor het plegen van ontucht met minderjarige jongens.
3.3
[eiser] heeft meermaals meldingen gedaan bij Veilig Thuis Haaglanden (VT) dat zij zich zorgen maakte over het welzijn van [zoon] , in relatie tot haar ex-echtgenoot. [ex-echtgenoot] heeft naar aanleiding van deze meldingen aangifte gedaan van belaging, lasterlijke aanklacht en smaad.
3.4
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft eind 2016 aan [eiser] laten weten dat zij zou worden vervolgd voor onder meer smaad/laster en belaging.
3.5
Bij brief van 14 april 2017 heeft de behandelend officier van justitie, [de Officier van Justitie] (hierna: de OvJ), bij VT informatie opgevraagd en VT verzocht om verstrekking van alle verklaringen die [eiser] en [ex-echtgenoot] over elkaar aan VT hadden gedaan over de periode 22 oktober 2009 tot 16 januari 2017. De OvJ vermeldde in deze brief dat [eiser] ervan werd verdacht dat zij herhaaldelijk ongegronde of irrelevante beschuldigingen heeft gedaan bij verschillende personen en instellingen, waaronder VT. Deze gedragingen konden volgens de OvJ worden aangemerkt als belaging (art. 285b Sr.), dwang (art. 284 Sr Pro.) en smaad(schrift) (art. 261 Sr Pro.). De OvJ noemde in de brief ook nog dat [zoon] met behulp van eiceldonatie is verwekt.
3.6
VT heeft de verzochte informatie op 25 april 2017 aan de OvJ verstrekt.
3.7
Op 2 februari 2018 heeft de buurvrouw van [eiser] , die tevens huisarts was, op verzoek van [eiser] een melding gedaan bij VT over een incident op het adres van [eiser] waarbij [zoon] , die toen bij zijn moeder verbleef, betrokken zou zijn geweest.
3.8
Bij brief van 7 september 2018 heeft de OvJ bij VT informatie opgevraagd over deze nieuwe melding. De OvJ vermeldde in zijn brief dat het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] nog gaande was en dat de verdenking van stalking (belaging) nog onverminderd aanwezig was.
3.9
VT heeft de verzochte informatie bij brief van 18 september 2018 aan de OvJ verstrekt. Bij brief van diezelfde datum heeft VT aan [eiser] en [ex-echtgenoot] geschreven dat VT naar aanleiding van deze laatste melding geen actie zou ondernemen, gezien de twijfelachtige grond van de melding en het onderzoek van het OM naar stalking.
3.1
Bij uitspraak van 22 juli 2021 heeft de rechtbank Den Haag [eiser] veroordeeld wegens smaad en haar vrijgesproken van wat verder nog was tenlastegelegd.
3.11
[eiser] en de OvJ hebben beiden hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Op 22 17 februari 2022 heeft het OM (uitsluitend) aan [ex-echtgenoot] laten weten dat het door het OM ingestelde appel zou worden ingetrokken. Het OM heeft het appel vervolgens op 7 maart 2022 ingetrokken, maar [eiser] of haar advocaat daarvan niet op de hoogte gesteld. Op verschillende verzoeken aan het OM om haar over de stand van zaken van het hoger beroep te informeren kreeg [eiser] geen inhoudelijke reactie. Eerst op 7 februari 2024 heeft het OM aan [eiser] bevestigd dat het zijn hoger beroep had ingetrokken.
3.12
Het hoger beroep van [eiser] (gericht tegen haar veroordeling voor smaad) heeft – voor zover nu relevant – deels geleid tot vrijspraak en deels tot niet-ontvankelijk verklaring van het OM in zijn vervolging (wegens verjaring). [2]

4.De standpunten van partijen; het oordeel van de rechtbank

4.1
[eiser] is van mening dat het OM in meerdere opzichten onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Meer in het bijzonder stelt zij zich op het standpunt:
(i) dat het OM heeft geïntervenieerd in het onderzoek van VT, door [eiser] bij VT zwart te maken, met als gevolg dat [eiser] ervan werd afgehouden nog zorgmeldingen bij VT te doen;
(ii) dat het OM wederrechtelijk justitiële gegevens aan VT heeft verstrekt;
(iii) dat het OM gevoelige gegevens op informele wijze bij VT heeft opgevraagd, in plaats van daarvoor de weg van art. 126nf en/of art. 126uf Sv te volgen;
(iv) dat het OM heeft verzwegen dat het door het OM ingestelde appel was ingetrokken.
4.2
In dit geding stelt [eiser] de Staat voor dit onrechtmatig handelen aansprakelijk. Voor zover in hoger beroep van belang vordert zij, naast verschillende verklaringen voor recht, dat de Staat wordt veroordeeld haar materiële en immateriële schade te vergoeden. Daarnaast vordert [eiser] dat de Staat wordt veroordeeld een brief aan VT te zenden, met de strekking dat (de rechter heeft geoordeeld dat) het OM haar ten onrechte verdacht heeft gemaakt.
4.3
De rechtbank heeft alle vorderingen van [eiser] afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het OM met VT mocht delen dat jegens [eiser] een verdenking van belaging was gerezen. Die verdenking was toentertijd op zichzelf gerechtvaardigd. Het verstrekken van justitiële gegevens in 2017 en 2018 diende de veiligheid van [zoon] en was dus in overeenstemming met art. 39f Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Het informeel opvragen van informatie bij VT is niet onrechtmatig. Bovendien zou de rechter-commissaris een machtiging hebben verleend als het OM de officiële weg had gevolgd en de informatie van VT zou hebben gevorderd. Voor zover VT minder onderzoek naar de melding van [eiser] uit 2018 heeft gedaan dan [eiser] had gewenst, is dat het resultaat van de weigerachtige houding van [ex-echtgenoot] . Het OM heeft weliswaar in strijd gehandeld met art. 455 Sv Pro door haar [eiser] niet onverwijld te informeren over de intrekking van het appel, maar [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij daardoor schade, zoals geestelijk letsel, heeft opgelopen.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1
[eiser] heeft in hoger beroep haar vordering gewijzigd. Zij vordert thans, zakelijk samengevat, dat het hof:
I. voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door justitiële gegevens te verstrekken aan VT, gevoelige persoonsgegevens bij VT op te vragen, door te interveniëren in het onderzoek van VT en door [eiser] tegenover VT verdacht te maken;
II. voor recht verklaart dat het OM [eiser] te laat over de intrekking van het appel heeft geïnformeerd;
III. de Staat gelast een brief aan VT te zenden met de strekking dat (de rechter heeft geoordeeld dat) het OM haar ten onrechte verdacht heeft gemaakt;
IV. de Staat veroordeelt aan [eiser] te betalen € 5.000 wegens immateriële schade en € 3.500 wegens materiële schade;
V. de Staat veroordeelt tot vergoeding van de kosten van het voorlopig getuigenverhoor;
VI. de Staat veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2
[eiser] heeft zes grieven tegen het rechtbankvonnis aangevoerd. Het hof zal deze grieven bespreken aan de hand van de volgende onderwerpen:
a. de informatie die de OvJ aan VT heeft verstrekt;
b. de informatie die de OvJ bij VT heeft opgevraagd;
c. interventie van het OM in het onderzoek van VT;
d. het te laat informeren van [eiser] over de intrekking van het door het OM ingestelde appel;
e. de kosten van het voorlopig getuigenverhoor;
f. moet de Staat een brief aan VT zenden met de door [eiser] gewenste inhoud?
a. de informatie die de OvJ aan VT heeft verstrekt
5.3
Het hof is van oordeel dat de OvJ onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door strafrechtelijke informatie aan VT te verstrekken. Meer in het bijzonder betreft dat de omstandigheid dat [eiser] ervan werd verdacht dat zij herhaaldelijk ongegronde of irrelevante beschuldigingen heeft gedaan bij verschillende personen en instellingen, waaronder VT, en dat deze gedragingen volgens de OvJ kunnen worden aangemerkt als belaging (art. 285b Sr.), dwang (art. 284 Sr Pro.) en smaad(schrift) (art. 261 Sr Pro.). Daarnaast is het hof van oordeel dat de OvJ onrechtmatig heeft gehandeld door aan VT te schrijven dat [zoon] door middel van eiceldonatie was verwekt. Het hof komt tot dit oordeel op grond van het volgende.
5.4
Het hof neemt tot uitgangspunt dat bij de OvJ in redelijkheid de verdenking kon bestaan dat [eiser] [ex-echtgenoot] belaagde door het doen van ongegronde en irrelevante meldingen aan VT. De vraag of de OvJ dat ook in die bewoordingen aan VT mocht berichten beantwoordt het hof echter ontkennend en datzelfde geldt voor de mededeling van de OvJ aan VT in 2018 dat het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] nog gaande was en dat de verdenking van ‘stalking’ (belaging) nog onverminderd aanwezig was.
5.5
Uitgangspunt is dat voor het verstrekken van strafrechtelijke gegevens een goede, in de wet voorziene grond moet bestaan. De Staat voert aan dat de OvJ tot het geven van de desbetreffende informatie gerechtigd was (a) ter voorkoming van voortgezette belaging van [ex-echtgenoot] (door de Staat in dit verband aangemerkt als: ‘het slachtoffer’), (b) ter hulpverlening aan [ex-echtgenoot] en [zoon] en (c) ter bevordering van de volledige en zorgvuldige informatieverstrekking door VT aan de Raad voor de Kinderbescherming. Daarmee zou de verstrekking voldoen aan art. 39f lid 1 sub a, f en g Wjsg. De Staat miskent hiermee echter dat de verstrekking in ieder geval niet heeft voldaan aan de eisen van proportionaliteit. Het voor de hand liggend gevolg van de door de OvJ aan VT verstrekte informatie over de verdenking jegens [eiser] was dat zij geen meldingen meer deed aan VT. Dat gevolg was blijkens de stellingen van de Staat ook door de OvJ (mede) beoogd. Dat is echter een zeer vergaand gevolg, omdat het een moeder kan afhouden van meldingen over het welzijn van haar zoon aan de instantie die daarvoor is aangewezen. Een dergelijk vergaand gevolg moet worden gerechtvaardigd door een evenredig groot belang, maar daarvan is in dit geval niet gebleken. Ook als de meldingen van [eiser] aan VT uitsluitend waren bedoeld om [ex-echtgenoot] te belagen, is voorstelbaar dat het (heel) vervelend voor [ex-echtgenoot] was om daarop naar VT toe te moeten reageren, maar dat de meldingen fysieke of mentale schade bij [ex-echtgenoot] veroorzaakten of dreigden te veroorzaken blijkt niet, althans niet een zodanige schade dat dit het hierboven genoemde vergaande negatieve gevolg voor [eiser] kon rechtvaardigen. Het verhinderen van verdere meldingen van [eiser] over [zoon] kon bovendien potentieel wel degelijk ernstige gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid of welzijn van [zoon] . De verwachting van de OvJ dat door zijn verstrekking aan VT [zoon] zou worden behoed voor onrust, wat daar ook van zij, weegt niet op tegen het vergaande gevolg dat [eiser] werd afgeschrikt om verdere meldingen te doen en datzelfde geldt voor de stelling van de Staat dat VT langs deze weg de Raad voor de Kinderbescherming beter kon informeren, wat er verder van die stelling ook zij.
5.6
Op zichzelf kon de OvJ in redelijkheid besluiten dat de opgevraagde informatie (namelijk alle verklaringen van [eiser] en [ex-echtgenoot] over elkaar in de betrokken periode) van belang was voor het opsporingsonderzoek naar de verdenking van stalking. Voor zover de Staat bedoelt aan te voeren dat het opvragen van de gewenste informatie bij VT niet zou slagen indien de justitiële gegevens niet aan VT zouden worden meegedeeld gaat dat argument echter niet op. De opgevraagde informatie was – terecht – vrij algemeen geformuleerd (alle verklaringen
over en weer) en er was geen goede reden (mede gelet op de hierboven onder 5.5. genoemde belangen van [eiser] ) om de onderbouwing van het verzoek niet ook algemeen te houden. De OvJ had kunnen volstaan met de uitleg dat het OM deze informatie nodig had in het belang van een strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot door [eiser] en [ex-echtgenoot] over en weer gedane beschuldigingen. Mocht VT de informatie in dat geval niet vrijwillig hebben willen geven, dan had de OvJ, naar de Staat zelf aanvoert, de verzochte informatie in ieder geval kunnen krijgen door, na verkregen machtiging van de RC, een formele vordering tot VT te richten. De Staat voert immers aan dat een dergelijke machtiging zeker zou zijn verleend. Dat een formele vordering had kunnen worden gedaan zonder aan VT de strafrechtelijke gegevens over [eiser] te verstrekken heeft [eiser] gemotiveerd aangevoerd en de Staat heeft dat niet bestreden. Het lijkt bovendien bevestigd te worden door de overgelegde, algemeen en neutraal geformuleerde machtiging voor het opvragen van informatie bij de Raad voor de Kinderbescherming; in die machtiging wordt niet gerept van verdenkingen richting [eiser] . Aldus voldoet de wijze waarop de OvJ zijn verzoeken aan VT heeft ingekleed ook niet aan het subsidiariteitsvereiste. De OvJ had een weg kunnen volgen die niet of minder schadelijk voor [eiser] was geweest en die haar niet had afgeschrikt van het doen van meldingen aan VT.
5.7
De mededeling van de OvJ aan VT dat [zoon] door middel van eiceldonatie was verwekt was ook onrechtmatig jegens [eiser] . Het gaat hierbij om zeer privacygevoelige informatie en de Staat heeft niet uitgelegd welk gerechtvaardigd belang het diende dat de OvJ dit feit aan VT openbaarde.
5.8
[eiser] maakt terecht aanspraak op vergoeding van immateriële schade vanwege de schending van de privacy die besloten ligt in het onrechtmatig delen door het OM met VT van haar strafrechtelijke verdenking en de eiceldonatie. Het hof schat deze schade op € 1.500.
b. de informatie die de OvJ bij VT heeft opgevraagd
5.9
[eiser] is van mening dat de OvJ met zijn verzoeken van 14 april 2017 en 7 september 2018 ten onrechte op informele wijze informatie bij VT heeft opgevraagd. Volgens [eiser] had de OvJ daarvoor de weg van art. 126nf en/of art. 126uf Sv moeten gebruiken door, na verkregen machtiging van de rechter-commissaris (RC), een vordering tot VT te richten. [eiser] heeft bij de afzonderlijke beoordeling van dit bezwaar geen belang. [eiser] heeft niet verduidelijkt welke schade zij heeft geleden doordat VT informatie over haar meldingen aan de OvJ heeft doorgegeven. Voor zover [eiser] bedoelt dat de OvJ die informatie niet
op de door hem gebruikte wijze(door strafrechtelijke gegevens over [eiser] aan VT te verstrekken) aan VT had mogen vragen, is dat aspect van het onrechtmatig handelen hiervoor reeds gegrond bevonden.
c. interventie van het OM in het onderzoek van VT
5.1
Het hof heeft hiervoor overwogen dat de OvJ tot twee maal toe informatie bij VT heeft opgevraagd en dat de manier waarop hij dat heeft gedaan onrechtmatig was jegens [eiser] . Het is het hof niet duidelijk welke verdere of andere schade [eiser] heeft geleden doordat de OvJ daarnaast ook nog op andere wijze met VT over [eiser] heeft gecommuniceerd, zoals door met VT te telefoneren. [eiser] heeft haar vordering in dit opzicht onvoldoende toegelicht.
d.
het te laat informeren van [eiser] over de intrekking van het door het OM ingestelde appel
5.11
De Staat heeft uitgelegd hoe het heeft kunnen gebeuren dat [eiser] te laat is geïnformeerd over het feit dat het OM zijn appel had ingetrokken. Dat zijn omstandigheden die voor rekening komen van de Staat en de Staat beweert ook niet iets anders. Dat het te laat informeren van [eiser] in strijd was met art. 455 Sv Pro, en dus onrechtmatig, staat tussen partijen ook niet ter discussie. De vraag is alleen of [eiser] door het te laat informeren schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] haar schade onvoldoende heeft onderbouwd, maar het hof denkt daar anders over.
5.12
In de eerste plaats heeft [eiser] in hoger beroep aangevoerd dat zij onnodig advocaatkosten heeft gemaakt voor een bedrag van € 4.955,15, waarbij [eiser] verwijst naar productie 26. [eiser] vordert hiervan overigens kennelijk slechts een bedrag van € 3.500. [3] De Staat betwist gemotiveerd dat de door [eiser] opgevoerde kosten verband houden met het door het OM ingestelde hoger beroep, wijst erop dat er ook een appel liep van [eiser] zelf en betwist verder dat overleg met mr. Kaaks betrekking had op de strafzaak. Het hof acht op zichzelf aannemelijk dat de strafrechtadvocaat van [eiser] werkzaamheden heeft verricht die niet nodig waren geweest indien het OM haar eerder had laten weten dat het appel was ingetrokken. Aangezien de in dat opzicht geleden schade van [eiser] niet exact kan worden begroot zal het hof de hoogte van deze schade schatten. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat aan de voorbereiding van het appel nauwelijks inhoudelijk werk kan zijn verricht, aangezien het OM nog geen appelmemorie had ingediend en ook nog geen datum voor de zitting was bepaald. Het hof schat de schade van [eiser] op € 750.
5.13
Voor wat betreft de door [eiser] gestelde immateriële schade is het hof van oordeel dat zij deze niet nader hoeft te onderbouwen. [eiser] heeft bijna twee jaar (namelijk van 7 maart 2022 tot 7 februari 2024) in de veronderstelling geleefd dat het appel van het OM zou worden doorgezet, althans dat de mogelijkheid daartoe bestond. In een dergelijk geval worden spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade verondersteld. [4] Uit het aangehaalde arrest van de Hoge Raad blijkt dat hiervoor een schadevergoeding van € 500 per half jaar naar boven afgerond kan worden toegekend, hetgeen voor [eiser] dus neerkomt op een bedrag van € 2.000.
5.14
Het voorgaande komt erop neer dat het hof aan [eiser] een bedrag van € 750 + € 2.000 = € 2.750 zal toewijzen als gevolg van het te laat meedelen van het intrekken van het appel door het OM.
e. de kosten van het voorlopig getuigenverhoor
5.15
[eiser] vordert vergoeding van de kosten van ‘het voorlopig getuigenverhoor inclusief de beroepsprocedure, de mondelinge behandeling en de verhoren d.d. 12 mei 2020’. Uit de door [eiser] overgelegde productie 27, waarnaar zij verwijst, [5] leidt het hof af dat zij de werkelijk gemaakte kosten vordert ad € 30.769 advocaatkosten en € 615 verschotten (griffierecht). Deze vordering is slechts voor een (klein) deel toewijsbaar. Over de proceskosten van de procedure tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor (zowel in de eerste als in de tweede instantie) heeft het hof reeds beslist in zijn beschikking van 1 december 2020. Overigens is voor vergoeding van de werkelijke proceskosten geen grond. Van misbruik van procesrecht is niet gebleken.
5.16
Het hof zal de kosten van [eiser] voor het bijwonen van het voorlopig getuigenverhoor op 12 mei 2020 begroten en toewijzen op grond van het liquidatietarief, dat wil zeggen 1 punt à € 1.290 (tarief II in appel).
f. moet de Staat een brief aan VT zenden met de door [eiser] gewenste inhoud?
5.17
[eiser] vordert dat de Staat wordt veroordeeld een brief aan VT te zenden met de strekking dat (de rechter heeft geoordeeld dat) het OM haar ten onrechte verdacht heeft gemaakt. Het hof ziet onvoldoende aanleiding de Staat hiertoe te veroordelen. Het belang van [eiser] bij kennisneming door VT van het oordeel van het hof, voor zover nog aanwezig nu [zoon] meerderjarig is geworden, kan worden gediend door toezending van dit arrest aan VT. Een afzonderlijke brief van de Staat is daartoe niet vereist. Dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

6.Conclusie

6.1
De grieven zijn gedeeltelijk gegrond. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en de vorderingen van [eiser] gedeeltelijk toewijzen op de manier zoals hiervoor is overwogen. Dit betekent dat de Staat zal worden veroordeeld een bedrag van € 1.500 (zie hiervoor nr. 5.8), vermeerderd met € 2.750 (zie nr. 5.14) en met € 1.290 (zie nr. 5.16), dus in totaal € 5.540 aan [eiser] te betalen.
6.2
Bij de ook nog door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht heeft zij, naast toewijzing van haar vorderingen tot betaling van schadevergoeding, geen voldoende afzonderlijk belang. Voor het overige komen deze verklaringen voor recht niet voor toewijzing in aanmerking.
6.3
De Staat zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank van 10 juli 2024, en opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt de Staat aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.540,--;
- wijst af het meer of anders gevorderde;
- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in twee instanties,
in eerste aanlegbegroot op € 443,14 voor verschotten (€ 314,-- voor griffierecht + € 129,14 voor kosten van de dagvaarding) en € 1.228,-- voor salaris van de advocaat, en
in hoger beroepop € 484,97 voor verschotten (€ 349,-- voor griffierecht + € 135,97 voor kosten appeldagvaarding) en € 2.580,-- voor salaris van de advocaat;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, E.M. Dousma-Valk en C. Mak, en ondertekend en op 7 april 2026 in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Aldus ook de Staat (memorie van antwoord 1.1).
2.Gerechtshof Den Haag 5 december 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2590 en Gerechtshof Den Haag 19 december 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2589.
3.Schriftelijk pleidooi mr. Kaaks nr. 7.6.
4.HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736; NJ 2014, 525.
5.In de memorie van grieven onder 8.2 is het gevorderde bedrag niet ingevuld.