Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:562

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
200.330.020/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 BWArt. 2:394 BWArt. 6:162 BWArt. 2:9 BWArt. 2:11 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur in faillissement Dudok Groep

De curator heeft de bestuurders van Dudok Groep aangesproken wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en onrechtmatige daad, omdat zij de jaarrekeningen over 2016, 2017 en 2018 niet of niet tijdig hebben gepubliceerd, wat volgens artikel 2:248 lid 2 BW Pro een vermoeden van onbehoorlijk bestuur en een belangrijke oorzaak van het faillissement oplevert.

De bestuurders stelden dat het faillissement hoofdzakelijk werd veroorzaakt door de coronacrisis, waardoor de inkomsten uit deelnemingen opdroogden. Het hof oordeelde echter dat dit niet als een van buiten komende oorzaak kan gelden, omdat de deelnemingen uit het vermogen van Dudok Groep waren gegaan en er geen vervangend vermogensobject was voor de schuldeisers.

Hoewel het hof het bewijsvermoeden van onbehoorlijk bestuur bevestigde, stelde het vast dat er geen sprake was van schuldeisersbenadeling, omdat de externe schuldeisers volgens de afwikkelafspraak zijn voldaan of verhaal op hen mogelijk is. De curator had bovendien geen degelijk onderzoek gedaan naar de schuldenlast en vorderingen.

Gelet op de geringe aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling en de wijze van afwikkeling van het faillissement matigde het hof de aansprakelijkheid van de bestuurders tot nihil. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de veroordeling tot betaling van het faillissementstekort en voorschot betrof, en de curator werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

Uitkomst: Bestuurders zijn kennelijk onbehoorlijk geweest maar hun aansprakelijkheid wordt gematigd tot nihil.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.330.020/02
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/635810 / HA ZA 22-278
Arrest van 14 april 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[appellant 1],

wonend in [woonplaats],
2. [appellant 2],
wonend in [woonplaats],
3. [appellant 3],
wonend in [woonplaats],
appellanten,
advocaat: mr. J.C. Debije, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
mr. Marius Klaas de Bruijn,in zijn hoedanigheid van (opvolgend) curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Dudok Groep B.V.,
kantoorhoudend in Rotterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.P.M. Borsboom, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt appellanten hierna [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] en gezamenlijk [appellanten] of de bestuurders. Geïntimeerde wordt hierna aangeduid als de curator en Dudok Groep B.V. als Dudok Groep.

1.De zaak in het kort

1.1
Het gaat in deze zaak om bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. De curator heeft de statutair bestuurder en de feitelijke beleidsbepalers van Dudok Groep aangesproken wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en op grond van onrechtmatige daad. De curator heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het bestuur van Dudok Groep de jaarrekeningen over 2016, 2017 en 2018 niet respectievelijk niet tijdig heeft gepubliceerd en dat op grond van artikel 2:248 lid 2 BW Pro geldt dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van Dudok Groep. De curator verwijt de bestuurders voorts dat zij deelnemingen van Dudok Groep hebben verkocht, de koopprijs slechts ten goede hebben laten komen aan intercompany-schuldeisers en alle verdiencapaciteit uit Dudok Groep hebben laten verdwijnen. Verder stelt de curator zich op het standpunt dat de bestuurders ten onrechte toestemming hebben verleend aan een dividenduitkering van € 3,5 miljoen, terwijl hoger gerangschikte externe schuldeisers onbetaald achterbleven. Volgens de curator zijn de schuldeisers benadeeld als gevolg van dit handelen en hebben de bestuurders zich daarmee schuldig gemaakt aan (kennelijk) onbehoorlijk bestuur en hebben zij onrechtmatig gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van Dudok Groep.
1.2
De rechtbank heeft de vordering van de curator op grond van artikel 2:248 BW Pro toegewezen en de bestuurders aansprakelijk gehouden voor het faillissementstekort, en veroordeeld tot betaling van een voorschot daarop van € 400.000,-. Het daartegen door de bestuurders ingestelde hoger beroep slaagt. Het hof matigt de aansprakelijkheid van de bestuurders op grond van artikel 2:248 BW Pro gelet op de aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling en de wijze waarop het faillissement is afgewikkeld tot nihil.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 21 juni 2023, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2023;
  • het arrest van dit hof van 22 augustus 2023, waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast (deze is niet gehouden);
  • de memorie van grieven van [appellanten], met productie 17;
  • de memorie van antwoord van de curator, met producties A tot en met J;
  • de producties K en L die de curator ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • productie 18 van de zijde van [appellanten]
2.2
Op 13 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De persoonlijke holdingvennootschappen van [appellant 3], [appellant 2] en [appellant 1] (hierna aangeduid als de persoonlijke holdings) houden 60,23%, 30,12% respectievelijk 9,65% van de aandelen in de op 2 januari 2014 opgerichte vennootschap Dudok Groep. [appellant 1] is de statutair bestuurder van Dudok Groep.
3.2
Dudok Groep is een holdingvennootschap. Medio 2018 hield Dudok Groep alle aandelen in de horecaondernemingen Dudok Rotterdam B.V., Dudok Den Haag B.V., Dudok Arnhem B.V., De Harmonie B.V., Splint XIV B.V. en Splint XVI B.V. (de eerste drie vennootschappen worden hierna afzonderlijk aangeduid als ‘Dudok Rotterdam’, ‘Dudok Den Haag’ en ‘Dudok Arnhem’ en gezamenlijk ook als ‘de deelnemingen’).
3.3
[appellanten] hielden op dat moment ook middellijk (en al dan niet gezamenlijk met derden) aandelen in andere vennootschappen, die - onder meer onder de naam Dudok - diverse horecagelegenheden en horeca-gerelateerde ondernemingen exploiteerden.
3.4
In 2018 zijn [appellanten] in contact gekomen met Ewald Dudok, de (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van Dudok Investment Management B.V. (hierna: DIM). Zij hebben onderhandeld over een manier waarop Ewald Dudok zou kunnen participeren in (enkele van) de ondernemingen van [appellanten] In dat kader hebben zij gesproken over een herstructurering, bestaande uit (onder meer) de oprichting van een joint venture en het verhangen van de aandelen in diverse vennootschappen uit het Dudok concern naar deze joint venture.
3.5
In het kader van en ter uitvoering van deze herstructurering zijn op 23 oktober 2018 de volgende akten gepasseerd:
a) akten waarbij Dudok Groep haar aandelen in Dudok Rotterdam, Dudok Den Haag en Dudok Arnhem heeft verkocht en geleverd aan de persoonlijke holdings voor een koopprijs van in totaal € 5.196.677,-. De verschuldigde koopsommen zijn niet voldaan aan Dudok Groep, maar omgezet in geldleningen van Dudok Groep aan de persoonlijke holdings;
b) een akte waarbij de persoonlijke holdings en TerOFeu B.V. (een medeaandeelhouder in een van de andere vennootschappen van [appellanten]) Dudok Horeca Rotterdam Holding B.V. (hierna: DHRH) hebben opgericht. De persoonlijke holdings en TerOFeu B.V. werden de aandeelhouders en [appellant 3] en [appellant 2] werden benoemd tot statutair bestuurders;
c) akten waarbij de persoonlijke holdings hun aandelen in Dudok Rotterdam, Dudok Den Haag en Dudok Arnhem hebben verkocht en geleverd aan DHRH;
d) een akte waarbij DHRH Dudok Horeca Groep B.V. (hierna: DHG) heeft opgericht. DHRH werd enig aandeelhouder en [appellant 3] en [appellant 2] werden benoemd tot statutair bestuurders;
e) een akte waarbij DHRH - onder meer - haar aandelen in Dudok Rotterdam, Dudok Den Haag en Dudok Arnhem heeft verkocht en geleverd aan DHG;
f) een akte waarbij DHG Dudok Daghoreca Holding B.V, Dudok Patisserie & Productie Holding B.V. en Dudok Shared Services B.V. heeft opgericht, waarvan DHG enig aandeelhouder en bestuurder werd;
g) een akte waarbij DHG haar aandelen in Dudok Rotterdam, Dudok Den Haag en Dudok Arnhem heeft verkocht en geleverd aan Dudok Daghoreca Holding B.V.
3.6
Bij ‘overeenkomst tot koop en verkoop van aandelen Dudok Horeca Groep B.V.’ van 8 november 2018 (hierna: de koopovereenkomst) heeft DHRH 50% van haar aandelen in DHG verkocht aan DIM. In die overeenkomst is bepaald dat de koopprijs € 4 miljoen bedraagt, waarvan het eerste deel van € 2 miljoen bij levering zou worden voldaan en het tweede deel van € 2 miljoen één maand na vaststelling van de jaarrekening over 2019 van DHG.
3.7
Op diezelfde dag is een akte gepasseerd waarbij de verkochte aandelen in DHG aan DIM zijn geleverd. Vervolgens is het eerste deel van de koopsom aan DHRH betaald. Blijkens het als bijlage 5 bij de koopovereenkomst behorende fundflowoverzicht is van het eerste deel van de koopsom van € 2 miljoen een bedrag van € 1,5 miljoen overgemaakt naar “Pandhouder mevrouw [naam]”. Het resterende bedrag van € 590.000,- is aan DHRH betaald.
3.8
DIM verstrekte op 8 november 2018 ook een geldlening ten bedrage van € 2 miljoen aan DHRH. Dit bedrag heeft DHRH ingevolge het in de akte van geldlening opgenomen doel aangewend om diverse rekening-courantschulden van Dudok Groep aan gelieerde vennootschappen, welke schulden DHRH boekhoudkundig had overgenomen, af te lossen.
3.9
Op 8 november 2018 is namens DHRH een dividendbesluit getekend voor een bedrag van € 1,5 miljoen. Dit bedrag is niet uitgekeerd aan haar aandeelhouders, maar omgezet in een geldlening van de aandeelhouders aan DHRH. De persoonlijke holdings hebben hun vordering uit hoofde van deze geldlening boekhoudkundig ingebracht in het vermogen van Dudok Groep ter gedeeltelijke aflossing van hun schuld aan Dudok Groep (zie 3.5 onder a). Deze vordering is vervolgens verrekend met de door DHRH overgenomen schulden van Dudok Groep aan gelieerde vennootschappen en aan derden (zie 3.8).
3.1
Tussen DIM en DHRH is een aandeelhoudersovereenkomst tot stand gekomen. Deze aandeelhoudersovereenkomst, waarin DHG is aangeduid als ‘de vennootschap’, luidt voor zover hier van belang:

(…)8.1 De Aandeelhouders komen overeen dat het dividendbeleid van de Vennootschap zodanig zal zijn dat jaarlijks 50% van het nettoresultaat als dividend zal worden uitgekeerd aan de Aandeelhouders, naar rato van het aandelenbelang van de Aandeelhouders in de Vennootschap, waarbij voldoende rekening wordt gehouden met de liquiditeitsbehoefte van de Vennootschap en haar groepsmaatschappijen (...) ten aanzien van gunstige zakelijke mogelijkheden die zich voordoen.(…)”.
3.11
Eind 2018 hebben de persoonlijke holdings een schuld van € 500.000,- van Dudok Groep aan Dudok Beheer B.V. overgenomen. De persoonlijke holdings hebben de hieruit voortvloeiende vordering op Dudok Groep vervolgens verrekend met hun schuld aan Dudok Groep uit hoofde van hun geldleningen (zie 3.5 onder a).
3.12
Op 28 december 2018 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van Dudok Groep met goedkeuring van [appellant 1] besloten tot de volgende interim dividenduitkering van in totaal € 3,5 miljoen:
- aan [appellant 3] Beheer een bedrag van € 2.108.050,-
- aan [appellant 2] Beheer een bedrag van € 1.054.200,-
- aan L. [appellant 1] Beheer een bedrag van € 337.750,-.
Deze dividenduitkeringen zijn niet uitbetaald, maar verrekend met de geldleningen van de persoonlijke holdings aan Dudok Groep zoals vermeld onder 3.5 onder a.
Het dividendbesluit luidt voor zover hier van belang:

(…)De voorzitter stelt voor om € 3.500.000 als interim dividend uit te keren.Het bestuur van de vennootschap constateert datde vennootschap na voornoemde voorgestelde interim dividenduitkering zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Het bestuur heeft in dit kader het volgende in aanmerking genomenI. de quick ratioII. de liquiditeitsprognoseIII. daarnaast zijn er geen andere aanwijzingen dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden;en verleent op grond hiervan haar toestemming aan het voorgenomen besluit dat strekt tot voornoemde interim dividenduitkering.(…)”.
3.13
Tot slot zijn met hetgeen Dudok Groep nog aan de persoonlijke holdings verschuldigd was, verrekend:
- de vorderingen in rekening-courant van Dudok Groep op de persoonlijke holdings van in totaal € 239.549,-,
- de vorderingen van Dudok Groep op aan de persoonlijke holdings gelieerde vennootschappen van in totaal € 42.121,-.
3.14
Op 15 september 2020 is Dudok Groep in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator tot curator.
3.15
De curator heeft op 24 november 2021 met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 23 november 2021 ten laste van [appellant 1] en [appellant 2] conservatoir beslag doen leggen op hun woningen.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
De curator heeft [appellanten] gedagvaard en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primaira) voor recht te verklaren dat [appellanten] hun bestuurstaak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld, dat dit kennelijk onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Dudok Groep en dat [appellanten] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort (ex artikel 2:248 lid 1 en Pro lid 7 BW),
b) [appellanten] hoofdelijk althans één of meerderen van hen, te veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat, met wettelijke rente,
c) [appellanten] althans één of meerderen van hen, te veroordelen tot betaling van een voorschot op de faillissementskosten van € 500.000,-,
subsidiaird) voor recht te verklaren dat [appellanten] ieder afzonderlijk onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van Dudok Groep en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de gezamenlijke schuldeisers hebben geleden als gevolg van hun handelen (ex artikel 6:162 BW Pro),
e) [appellanten] hoofdelijk althans één of meerderen van hen, te veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat, met wettelijke rente,
f) [appellanten] hoofdelijk althans één of meerderen van hen, te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade van € 500.000,-, en
meer subsidiairg) [appellanten] te veroordelen tot betaling aan de curator van een bedrag gelijk aan het tekort als bedoeld in artikel 2:216 lid 3 BW Pro, met een maximum van het faillissementstekort, ontstaan als gevolg van het dividendbesluit, met wettelijke rente,
meer subsidiair (ten aanzien van [appellant 1])h) voor recht te verklaren dat [appellant 1] zijn bestuurstaak onbehoorlijk heeft vervuld en aansprakelijk is voor de schade die Dudok Groep daardoor heeft geleden (ex artikel 2:9 jo Pro. 2:11 BW),
i) [appellant 1] te veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat, met wettelijke rente, en
j) [appellant 1] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade van € 500.000,-, en,
ten aanzien van alle vorderingenk) [appellanten] hoofdelijk althans één of meerderen van hen te veroordelen in de kosten van het geding, de beslagkosten ad € 4.646,84 daaronder begrepen.
4.2
Ter zitting heeft de curator het gevorderde voorschot verminderd tot een bedrag van € 400.000,- omdat, zoals de curator ter zitting heeft aangevoerd, de totale schuldenlast van Dudok Groep op dat moment nog circa € 330.000,- beloopt.
4.3
De rechtbank heeft de (primaire) vorderingen van de curator uit hoofde van artikel 2:248 BW Pro toegewezen, met het voorschot zoals verminderd. [appellanten] is in de proceskosten veroordeeld, daaronder begrepen de beslagkosten. Het vonnis is alleen voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellanten] zijn in hoger beroep gekomen en hebben vier grieven tegen het vonnis aangevoerd. Zij vorderen dat het hof het vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de curator alsnog niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen althans deze afwijst, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de curator in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.
5.2
De curator verzoekt het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] niet-ontvankelijk te verklaren in het door hen ingestelde hoger beroep althans dit beroep ongegrond te verklaren en het vonnis te bekrachtigen, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van beide instanties.

6.Beoordeling in hoger beroep

Aansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW Pro

6.1
De vraag die ook in hoger beroep primair centraal staat is of de bestuurders van Dudok Groep op grond van artikel 2:248 lid 1 jo Pro lid 7 BW aansprakelijk gehouden kunnen worden voor het tekort in het faillissement van Dudok Groep.
6.2
De bestuurders betogen in grief 1 dat hiervoor geen grondslag is omdat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat niet kennelijk onbehoorlijk taakvervulling maar juist de gevolgen van de coronacrisis de oorzaak zijn geweest van het faillissement van Dudok Groep in september 2020.
6.3
Volgens de bestuurders is het uitsluitend de coronacrisis geweest, die er voor heeft gezorgd dat [appellanten] niet meer in staat waren om de beoogde ordentelijke afwikkeling van de schulden van Dudok Groep te voltooien. Zij wijzen erop dat de schuldeisers van Dudok Groep bij gebreke van een eigen ondernemingsactiviteit altijd al afhankelijk waren geweest van de inkomsten van de ondernemingen in de deelnemingen (middels het vanuit de deelnemingen te verkrijgen dividend). Dat was vóór de herstructurering al zo, en dat bleef na de herstructurering ook zo. Na de herstructurering zouden de dividenden vanuit de deelnemingen (en alle andere entiteiten van DHG), zo waren de persoonlijke holdings onderling overeengekomen, worden aangewend door de bestuurders om tot de beoogde ordentelijke afwikkeling van Dudok Groep en haar (slechts enkele) resterende schuldeisers te komen (hierna: de afwikkelafspraak). Totdat dat vanaf het voorjaar van 2020 niet meer ging, omdat de inkomstenstroom vanuit de deelnemingen en andere entiteiten van DHG toen volledig opdroogde als gevolg van de gedwongen horecasluitingen tijdens de coronacrisis. Er kon daardoor niet meer worden voortgegaan met het aflossen van de paar schuldeisers die Dudok Groep nog had, met als gevolg dat één van hen het faillissement van Dudok Groep heeft aangevraagd, aldus de bestuurders.
6.4
Het hof oordeelt hierover als volgt.
6.5
In hoger beroep staat niet ter discussie dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan de publicatieplicht uit artikel 2:394 BW Pro, dit tot gevolg heeft dat op grond van artikel 2:248 lid 2 BW Pro vast staat dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het hof neemt verder tot uitgangspunt dat voor de weerlegging van dit vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7916). Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak, en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder (tevens) feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van het eerste lid van artikel 2:248 aannemelijk Pro te maken dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest (HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773).
6.6
Onbestreden is dat de jaarrekening van Dudok Groep over 2016 te laat en de jaarrekeningen over 2017 en 2018 niet zijn gedeponeerd. Daarmee staat vast dat niet is voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2:394 BW Pro. Dit betekent dat de onbehoorlijke taakvervulling van de bestuurders van Dudok Groep op grond van artikel 2:248 lid 2 BW Pro vast staat en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
Bewijsvermoeden niet ontzenuwd
6.7
Anders dan de bestuurders betogen, hebben zij naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van de coronacrisis een belangrijke oorzaak van het faillissement van Dudok Groep zijn. Het moge zo zijn dat de bestuurders niet langer winstuitkeringen uit de deelnemingen ontvingen vanwege de gevolgen van de coronacrisis en daardoor niet in staat waren om uitvoering te geven aan de afwikkelafspraak, maar dat laat onverlet dat Dudok Groep zelf geen recht (meer) had op die winstuitkeringen. Zij kon die winsten niet aanwenden om haar schuldeisers te voldoen, doordat de deelnemingen als gevolg van de herstructurering uit het vermogen van Dudok Groep waren gegaan. Dat er (vanwege de dividenduitkering en de verrekeningen) geen vervangend reëel vermogensobject voor de schuldeisers van Dudok Groep in de plaats is gekomen van de aandelen in de deelnemingen, is door de bestuurders ook niet betwist. De afwikkelafspraak maakt dat niet anders, omdat Dudok Groep en haar schuldeisers daaraan geen rechten konden ontlenen. Bestuurders erkennen ook zelf dat, hoewel hun intentie was een ordentelijke afwikkeling van de schuldeisers, zij er (in retrospectief) verstandiger aan hadden gedaan te zorgen dat de enkele nog resterende schuldeisers een rechtstreekse aanspraak konden ontlenen aan de afwikkelafspraak, of anderszins een verhaalsobject behielden. Dit nalaten dient de bestuurders te worden toegerekend, zodat het feit dat het opdrogen van de inkomstenstroom uit de deelnemingen vanwege de gevolgen van de coronacrisis niet als een van buiten komende oorzaak van het faillissement van Dudok Groep kan worden beschouwd.
6.8
Aangezien het bewijsvermoeden door de bestuurders niet is ontzenuwd, brengt dit ingevolge artikel 2:248 lid 2 jo Pro lid 1 BW mee dat de bestuurders aansprakelijk gehouden kunnen worden voor het tekort in het faillissement van Dudok Groep. Dit betekent dat de door de curator gevorderde verklaring van recht ook in hoger beroep toewijsbaar is (4.1 onder a).
Geen schuldeisersbenadeling
6.9
Anderzijds is het hof op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting echter niet gebleken dat van schuldeisersbenadeling sprake is althans dit is door de curator onvoldoende onderbouwd, terwijl dit de feitelijke grondslag is van het door de curator aan de bestuurders verweten (materieel) kennelijk onbehoorlijk bestuur en onrechtmatig handelen. Het hof licht dit als volgt toe.
6.1
[appellanten] hebben onderbouwd aangevoerd dat zij als bestuurders/feitelijk beleidsbepalers – in het kader van de afwikkelafspraak – steeds het nodige hebben gedaan om tot een ordentelijke afwikkeling van de schulden van Dudok Groep te komen en om te voorkomen dat Dudok Groep failliet zou gaan. Zij hebben daarbij op het volgende gewezen. Omdat Dudok Groep een financiële holding was en geen eigen ondernemingsactiviteiten had, was het aantal ten tijde van de herstructurering in oktober/ november 2018 bestaande externe schuldeisers ten behoeve van wie de afwikkelafspraak werd gemaakt beperkt. Toentertijd resteerden, zoals de bestuurders hebben toegelicht en de curator niet heeft betwist, slechts drie schuldeisers: de Belastingdienst, LaLa Vastgoed B.V. (hierna: LaLa Vastgoed) en Emons & Van Leeuwaarden (buiten de Rabobank vanwege een negatief saldo). Ten aanzien van deze schuldeisers hebben de bestuurders gemotiveerd uiteengezet hoe zij uitvoering hebben gegeven aan de afwikkelafspraak. Daarbij is het negatieve saldo van € 164.000,- op de bankrekening die ten name van Dudok Groep werd aangehouden, na de herstructurering aangezuiverd met gelden vanuit de deelnemingen. Ook zijn in het kader van de afwikkelafspraak betalingen gedaan aan LaLa Vastgoed en hebben de bestuurders met LaLa Vastgoed in september 2019 een regeling getroffen voor de resterende vordering, zoals blijkt uit de door de curator overgelegde ‘Overeenkomst van aflossing en borgstelling’. LaLa Vastgoed heeft daarbij een verhaalsrecht gekregen op de bestuurders in privé door middel van een persoonlijke borgstelling tot een bedrag van € 17.400,- per persoon, waarmee de nakoming van de verplichtingen van Dudok Groep jegens LaLa Vastgoed geheel werd gezekerd. Na het sluiten van de overeenkomst met LaLa Vastgoed hebben de bestuurders nog aan het daarin overeengekomen aflosschema voldaan en deze vordering is – buiten Dudok Groep om – afgewikkeld door middel van hun persoonlijke borgstellingen. Met Emons & Van Leeuwaarden (het administratiekantoor dat de fiscale aangiftes namens Dudok Groep verzorgde) bestond er ten tijde van de herstructurering ook geen discussie over dat haar vordering overeenkomstig de afwikkelafspraak, waarmee Emons & Van Leeuwarden als bij de herstructurering betrokken fiscaal adviseur geheel bekend was, op termijn zou worden voldaan. Dit is ook gebeurd en deze vordering van € 5.120,91 is na het faillissement ingetrokken.
6.11
De curator heeft niet betwist dat de genoemde, ten tijde van de herstructurering bestaande, externe schuldeisers zijn voldaan overeenkomstig de door de bestuurders geschetste afwikkeling in het kader van de afwikkelafspraak.
6.12
Ter zitting bij het hof heeft de curator bevestigd dat thans alleen de preferente vordering van € 165.095,- van de Belastingdienst in het faillissement van Dudok Groep resteert (buiten de betwiste vordering van de heer [schuldeiser]). De vordering van de Belastingdienst betreft twee aanslagen Vennootschapsbelasting 2015 en 2017. De bestuurders hebben ten aanzien van deze vordering toegelicht dat Dudok Groep als houdstermaatschappij van de deelnemingen en onderdeel van de fiscale eenheid waartoe zij en de deelnemingen behoorden deze aanslagen opgelegd heeft gekregen, maar dat de deelnemingen zelf als onderdeel van de fiscale eenheid ook hoofdelijk verbonden waren en zijn voor deze belastingschuld. De curator heeft dit niet weersproken. Van verhaalsbenadeling als gevolg van de herstructurering is ten aanzien van de schuld van Dudok Groep aan de Belastingdienst aldus geen sprake, nu de Belastingdienst zich zo nodig, net als vóór de herstructurering, ook gezekerd weet van rechtstreeks verhaal op de evenzeer voor deze vordering hoofdelijk verbonden deelnemingen.
6.13
De vordering van de heer [schuldeiser] wordt door de bestuurders betwist. Zij hebben daartoe aangevoerd (onder overlegging van correspondentie met de advocaat van de heer [schuldeiser]) dat ook met deze schuldeiser een regeling is getroffen in het kader van de afwikkelafspraak, zodat deze vordering op de datum van het faillissement al niet meer bestond. De curator heeft ter zitting bij het hof laten weten dat hij deze betwisting in een renvooiprocedure aan de orde zal stellen.
6.14
Het voorgaande leidt tot de ongerijmde conclusie dat van schuldeisersbenadeling in feite geen sprake is omdat geen van de schuldeisers van Dudok Groep onbetaald én onverhaalbaar is gebleven als gevolg van het aan de bestuurders verweten handelen, maar dat de bestuurders wel aansprakelijk gehouden kunnen worden voor het tekort in het faillissement van Dudok Groep op grond van het bepaalde in artikel 2:248 lid 2 jo Pro lid 1 BW (zie 6.8). Het komt het hof reeds om die reden bovenmatig voor om de bestuurders aansprakelijk te houden voor het gehele faillissementstekort.
Matiging
6.15
[appellanten] beroepen zich in grief 2 op matiging op de voet van artikel 2:248 lid 4 BW Pro. Dit beroep op matiging (en daarmee deze grief) slaagt. Het hof licht dit nader toe.
6.16
Op grond van artikel 2:248 lid 4 BW Pro kan de rechter het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld.
6.17
Zoals hiervoor overwogen (6.14) ziet het hof gelet op de geringe aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur reeds aanleiding om het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn te verminderen. Daarnaast geeft de wijze van afwikkeling van het faillissement het hof aanleiding om de aansprakelijkheid van de bestuurders vergaand te matigen. Hiervoor zijn de volgende feiten en omstandigheden relevant.
6.18
Het hof stelt voorop dat van een curator mag worden verwacht dat hij zich een gedegen oordeel vormt van het faillissementstekort alvorens de bestuurders daarvoor aansprakelijk te houden en een procedure in dit kader tegen de bestuurders te beginnen. Daarbij hoort dat hij een behoorlijk onderzoek doet naar de in het faillissement ingediende vorderingen en naar de vraag of schuldeisers op de boedel zijn aangewezen of andere verhaalsmogelijkheden hebben. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de curator geen behoorlijk onderzoek heeft gedaan naar de ingestelde vorderingen. Zo bleken van de (slechts) zes vorderingen die waren ingediend in het faillissement en die de curator aan zijn bestuurdersaansprakelijkheidsvordering in eerste aanleg ten grondslag had gelegd ter onderbouwing van de schuldenlast en het gevorderde voorschot op het faillissementstekort, twee vorderingen onjuist te zijn (zoals de curator ter zitting bij het hof ook heeft bevestigd). Daarnaast stond de vordering van LaLa Vastgoed ten onrechte voor € 96.800,- op de door de curator overgelegde lijst van schuldeisers, terwijl deze vordering door de schuldeiser zelf - blijkens de door de curator overgelegde stukken (productie 32) - was ingediend voor € 34.800,- met de vermelding en bewijsstukken dat er een borgstelling in privé was afgegeven. Dit had reeds tot gevolg dat de curator voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg de aangevoerde schuldenlast naar beneden moest bijstellen met circa € 270.000,- en dientengevolge ook het gevorderde voorschot ter zitting heeft verminderd.
6.19
De curator heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof ook geen uitleg kunnen geven waaruit zijn onderzoek naar de (slechts enkele) schuldeisers daadwerkelijk heeft bestaan. Hij verklaarde hierover dat “In eerste instantie worden niet alle crediteuren kritisch doorgenomen. Je weet het verloop van de procedure namelijk niet”. Ten aanzien van de betwisting door [appellanten] van de vordering van [schuldeiser] heeft de curator - hoewel hij eerst aangaf “daar positief tegenaan te kijken” - op een verduidelijkende vraag van het hof hierover geen standpunt willen innemen. Hij kon ook geen concreet antwoord geven op de vraag welk onderzoek hij naar deze vordering in de afgelopen ruim vijf jaar had ondernomen. De curator liet weten dat dit in een renvooiprocedure wel aan de orde zou komen, maar dat hij deze niet heeft opgestart omdat hij daarvoor geen onzinnige kosten wilde maken. Uit de verklaring van de curator hierover (“Het is zonde van ieders kosten. Ze [de bestuurders] zijn aansprakelijk voor de tekorten”) leidt het hof af dat de curator het maken van kosten wel gerechtvaardigd achtte bij het opstarten van deze aansprakelijkheidsprocedure, waarbij mogelijk ook een rol heeft gespeeld dat bij een veroordeling tot betaling van het tekort in het faillissement de bestuurder feitelijk opdraait voor de volledige kosten van de procedure, ook die aan de zijde van de curator.
6.2
Niet ter discussie staat (i) dat in hoger beroep als enige vaststaande vordering de vordering van de Belastingdienst resteert, waarvoor - zoals hiervoor overwogen - ook verhaal mogelijk is op de deelnemingen, (ii) dat voor enkele andere vorderingen reeds bij aanvang van het faillissement andere verhaalsmogelijkheden bestonden en deze vorderingen vervolgens ook zijn betaald, terwijl (iii) de andere thans nog resterende vordering in een verificatievergadering betwist wordt en naar de renvooiprocedure verwezen zal moeten worden. In dit geval had een behoorlijk onderzoek naar de ingediende vorderingen dan ook aanleiding moeten zijn om met de bestuurders in overleg te gaan om tot een oplossing te komen en een afweging te maken met betrekking tot de opportuniteit van een procedure, in aanmerking nemend dat de bestuurders met de volledige kosten worden belast. Dat er serieus overleg met de bestuurders heeft plaatsgevonden is niet gebleken. De curator heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat hij een voorlopige bevinding aan de bestuurders heeft voorgelegd, waarna hij - bij gebreke van een schikkingsvoorstel van de bestuurders - de procedure heeft opgestart. De curator heeft zelf geen schikkingsvoorstel gedaan, zo heeft hij desgevraagd ter zitting bij het hof verklaard.
6.21
Het hof ziet gelet op het voorgaande, te weten: de geringe aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling en de wijze van afwikkeling van het faillissement, dan ook aanleiding om het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn uit hoofde van artikel 2:248 lid 2 jo Pro lid 1 BW te matigen tot nihil.
6.22
Dit brengt mee dat het vonnis niet in stand kan blijven voor zover [appellanten] daarin zijn veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat (6.2 van het dictum), en tot betaling van een voorschot op de faillissementskosten van € 400.000,- (6.3 van het dictum).
Aansprakelijkheid op andere grondslagen
6.23
Het hof komt gezien het voorgaande aan de overige door de curator aangevoerde grondslagen voor aansprakelijkheid van de bestuurders niet toe.
Proceskosten eerste aanleg
6.24
Gelet op deze uitkomst in hoger beroep zijn [appellanten] ten onrechte in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld. Grief 4 is daarmee ook gegrond.
6.25
De overige grieven kunnen, gelet op de voorgaande beoordeling, niet tot een ander eindoordeel leiden, zodat zij verder geen bespreking behoeven.
Bewijsaanbiedingen
6.26
Het hof gaat voorbij aan het door de curator gedane algemene bewijsaanbod als onvoldoende specifiek. Het hof komt ook verder aan bewijslevering niet toe, aangezien door de curator geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die, indien bewezen, leiden tot een andere beslissing.
Conclusie en proceskosten
6.27
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellanten] slaagt. Daarom zal het hof het vonnis zoals in de hoofzaak gewezen tussen [appellanten] en de curator vernietigen, voor zover [appellanten] daarbij zijn veroordeeld tot het faillissementstekort op te maken bij staat en tot een voorschot daarop alsmede in de proceskosten, waaronder de beslagkosten. De gevorderde verklaring voor recht zal, als ook in hoger beroep toewijsbaar, in stand blijven, met dien verstande dat de aansprakelijkheid van [appellanten] voor het faillissementstekort wordt gematigd tot nihil.
6.28
Het hof zal de curator als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof begroot deze aan de zijde van [appellanten] op in totaal € 22.439,14, bestaande uit:
-
€ 9.103,-proceskosten eerste aanleg: € 2.277,- griffierecht en € 6.826,- salaris advocaat (2 punten × tarief VII),
-
€ 13.147,14proceskosten hoger beroep: € 129,14 dagvaarding, € 1.780,- griffierecht en € 11.238,- salaris advocaat (2 punten × tarief VII),
-
€ 189,-nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2023, voor zover gewezen in de hoofdzaak tussen [appellanten] en de curator;
en opnieuw rechtdoende:
  • verklaart voor recht dat [appellanten] hun bestuurstaak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld, dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Dudok Groep en dat [appellanten] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort;
  • bepaalt dat het bedrag waarvoor [appellanten] hoofdelijk aansprakelijk zijn wordt gematigd tot nihil;
  • veroordeelt de curator in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van [appellanten] begroot op € 22.439,14;
  • bepaalt dat als de curator niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de curator de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft;
  • wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. de Heer, J.S. Honée en R.J. van Galen en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.