Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:567

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.346.960/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46c AdvocatenwetArt. 46d AdvocatenwetArt. 46f AdvocatenwetArt. 48 AdvocatenwetArt. 48ac Advocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over proceskostenveroordelingen tuchtrechter advocatuur

In deze zaak staat een executiegeschil centraal over proceskostenveroordelingen die de tuchtrechter voor de advocatuur heeft uitgesproken tegen een advocaat, die tevens tuchtmaatregelen heeft opgelegd gekregen. De advocaat betwistte de beslaglegging op zijn eigendommen, stellende dat de proceskostenveroordelingen niet rechtsgeldig zijn omdat de tuchtprocedures waren ingeleid door een dekenbezwaar in plaats van een klacht.

Het hof oordeelt dat de advocaat geen spoedeisend belang meer heeft bij zijn vorderingen omdat hij de proceskosten inmiddels heeft betaald en de beslagen zijn komen te vervallen. Daarnaast bevestigt het hof dat de voorzieningenrechter de vorderingen terecht heeft afgewezen en dat de proceskostenveroordelingen niet berusten op een kennelijke misslag.

Het hof legt uit dat de artikelen 46c en 46f Advocatenwet samen één en dezelfde tuchtprocedure regelen, waarbij zowel klachten van derden als bezwaren van de deken kunnen leiden tot tuchtmaatregelen en proceskostenveroordelingen. De strekking en wordingsgeschiedenis van de wet ondersteunen deze uitleg.

De advocaat heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een kennelijke juridische misslag of dat de waarborgen uit de Advocatenwet niet zijn nageleefd. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de advocaat wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt dat de proceskostenveroordelingen niet berusten op een kennelijke misslag.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.346.960/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/670945/ KG ZA 24-746
Arrest in kort geding van 21 april 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. D.P. Kant, kantoorhoudend in Capelle aan den IJssel,
tegen
de
Nederlandse Orde van Advocaten,
zetelend in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. V.R. Pool, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en de Orde.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] is in procedures voor de tuchtrechter voor de advocatuur veroordeeld in de proceskosten van de Orde, die vervolgens executoriaal beslag heeft laten leggen op eigendommen van [appellant]. [appellant] komt in dit executiegeschil op tegen die beslaglegging. Het hof oordeelt in dit arrest dat [appellant] op dit moment geen spoedeisend belang meer heeft bij zijn opheffingsvorderingen omdat die beslagen ondertussen zijn komen te vervallen nadat [appellant] de proceskosten had betaald. Verder oordeelt het hof hierna dat de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellant] terecht heeft afgewezen en [appellant] daarom terecht heeft veroordeeld in de proceskosten van het kort geding. De door de tuchtrechter op grond van artikel 48ac Advocatenwet uitgesproken proceskostenveroordelingen berusten niet op een kennelijke misslag.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 27 september 2024 waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 2 september 2024 (hierna: het bestreden vonnis) [1] ;
  • de memorie van grieven van [appellant];
  • de memorie van antwoord van de Orde;
  • het schriftelijke verzoek van het hof aan partijen om tijdens de mondelinge behandeling in te gaan op de in dat verzoek gespecificeerde wordingsgeschiedenis van artikel 46f Advocatenwet;
  • de akte met bijlagen 6 en 7 van [appellant].
2.2
Op 19 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Mr. Kant en aan de zijde van de Orde mr. M. Jongkind, kantoorgenoot van mr. Pool, hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Juridisch kader

3.1
Paragraaf 4 van de Advocatenwet regelt de tuchtrechtspraak voor de advocatuur door raden van discipline in eerste aanleg en een hof van discipline in tweede en laatste aanleg.
3.2
De artikelen 46c en 46d Advocatenwet regelen het indienen van een klacht tegen een advocaat bij de deken van de lokale orde van advocaten in het betrokken arrondissement (hierna: de deken), het door de deken op verzoek van de klager helpen bij het op schrift stellen of verduidelijken daarvan en het door de deken onderzoeken en ter kennis brengen van de tuchtrechter van de klacht, hetzij onmiddellijk, hetzij na een poging tot het treffen van een minnelijke schikking tussen de klager en de beklaagde.
3.3
Artikel 46d leden 6 en 8 Advocatenwet bepalen respectievelijk dat de deken tegelijkertijd met de klacht alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de raad van discipline overlegt en dat hij, indien hij op grond van zijn onderzoek van oordeel is dat de klacht kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, dat met redenen omkleed kan meedelen aan de klager, de beklaagde en de raad van discipline.
3.4
Op grond van artikel 46f Advocatenwet kan de deken, indien hij buiten het geval van een klacht op de hoogte is gebracht van bezwaren tegen een advocaat, deze bezwaren ter kennis brengen van de raad van discipline (hierna ook: het dekenbezwaar).
3.5
Artikel 48 lid 2 Advocatenwet Pro bepaalt dat de raad van discipline bij gegrondverklaring van een klacht bepaalde tuchtmaatregelen kan opleggen aan de beklaagde.
3.6
Artikel 48ac lid 1 Advocatenwet bepaalt dat de raad van discipline de beklaagde kan veroordelen in de proceskosten van onder anderen de Orde indien hij een klacht geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart en een tuchtmaatregel oplegt.
3.7
Artikel 57 lid 2 Advocatenwet Pro verklaart onder andere deze laatste twee bepalingen van overeenkomstige toepassing op de procedure in hoger beroep voor het hof van discipline.

4.De feiten

4.1
[appellant] was voorheen advocaat. De deken van zijn lokale orde van advocaten heeft destijds tegen hem twee bezwaren in de zin van artikel 46f Advocatenwet ter kennis gebracht van de raad van discipline voor zijn arrondissement. De raad van discipline en, in één geval, het hof van discipline hebben deze bezwaren in definitieve beslissingen gegrond verklaard, aan [appellant] tuchtmaatregelen opgelegd en [appellant] op grond van artikel 48ac lid 1 veroordeeld in de proceskosten van de Orde (hierna: de tuchtrechtelijke proceskostenveroordelingen).
4.2
De Orde heeft met het oog op deze veroordelingen executoriaal beslag laten leggen op eigendommen van [appellant].
4.3
Hangende het onderhavige hoger beroep heeft [appellant] de betrokken proceskosten van de Orde volledig betaald.

5.De procedure voor de voorzieningenrechter

5.1
[appellant] heeft de Orde in kort geding gedagvaard en gevorderd dat de voorzieningenrechter de beslagen opheft dan wel de Orde veroordeelt die op te heffen. Hij heeft daarbij aangevoerd dat de tuchtrechtelijke proceskostenveroordelingen berusten op een kennelijke misslag omdat artikel 48ac lid 1 Advocatenwet daarvoor vereist dat de tuchtrechter een
klachtgegrond verklaart, terwijl de betrokken tuchtprocedures waren ingeleid door deken
bezwarenin de zin van artikel 46f Advocatenwet.
5.2
De voorzieningenrechter heeft die vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Zij oordeelde dat niet is voldaan aan de hier geldende hoge eis dat sprake is van een kennelijke misslag.

6.De vorderingen in hoger beroep

6.1
[appellant] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en vordert hetzelfde als bij de voorzieningenrechter.

7.Beoordeling

[appellant] heeft geen spoedeisend belang meer bij zijn vorderingen

7.1
Het hof moet in hoger beroep in kort geding (zo nodig ambtshalve) beoordelen of [appellant] ten tijde van de beslissing in hoger beroep nog voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep beaamd dat hij dat belang op dit moment niet meer heeft, omdat hij de proceskosten van de Orde inmiddels (noodgedwongen) heeft betaald en de beslagen daarom zijn komen te vervallen. Het hof komt daarom net als de voorzieningenrechter tot afwijzing van de opheffingsvorderingen van [appellant].
7.2
Om te beoordelen of de voorzieningenrechter [appellant] terecht heeft veroordeeld in de proceskosten zal het hof hierna beoordelen of de voorzieningenrechter die vorderingen terecht in eerste aanleg heeft afgewezen.
De wordingsgeschiedenis van artikel 46f Advocatenwet kan worden betrokken bij de beoordeling van deze zaak in hoger beroep
7.3
Voordat het daaraan toekomt zal het hof het bezwaar beoordelen dat de Orde tijdens de mondelinge behandeling heeft geuit tegen het bij de zaak betrekken van de wordingsgeschiedenis van artikel 46f Advocatenwet.
7.4
De Orde voert aan dat de vraag naar (de betekenis van stukken uit) die wordingsgeschiedenis geen deel uitmaakt van de rechtsstrijd in hoger beroep en dat een eventueel beroep van [appellant] op die stukken ter gelegenheid van de mondelinge behandeling tardief zou zijn. Volgens haar heeft [appellant] geen grieven geformuleerd die inhouden dat de voorzieningenrechter die wordingsgeschiedenis ten onrechte niet in haar oordeel zou hebben betrokken of aan de stukken uit die wordingsgeschiedenis een onjuiste uitleg zou hebben gegeven. Geen van partijen heeft op die stukken een beroep gedaan, die stukken vormen geen bindend recht, en al helemaal geen recht van openbare orde. Die stukken zijn evenmin aan te merken als feiten van algemene bekendheid, zo betoogt nog steeds de Orde.
7.5
Het hof verwerpt dit bezwaar.
7.5.1.
[appellant] heeft met zijn grieven de vraag centraal gesteld of het een kennelijke juridische misslag is om aan te nemen dat de tuchtrechter voor de advocatuur op grond van artikel 48ac Advocatenwet een proceskostenveroordeling kan uitspreken in een tuchtprocedure die niet bij hem is ingeleid door een klacht in de zin van artikel 46c Advocatenwet, maar door een dekenbezwaar in de zin van artikel 46f Advocatenwet. Het hof moet daartoe die bepalingen en, meer in het algemeen, het stelsel van Paragraaf 4 Advocatenwet uitleggen. Het hof is daarbij niet beperkt tot de bronnen van uitleg die door partijen zijn aangevoerd, in dit geval rechtspraak en literatuur, maar kan daarbij ook ambtshalve een andere bron betrekken die in Nederland wordt gebruikt voor de uitleg van wetten, namelijk de toelichting van de wetgever tijdens de wordingsgeschiedenis.
7.5.2.
Daarmee begeeft het hof zich daarom niet buiten het door de grieven ontsloten gebied.
7.5.3.
Uit het voorgaande volgt ook dat stukken uit die wordingsgeschiedenis, voor zover zij relevant zijn voor de uitleg van de hiervoor bedoelde bepalingen, in deze procedure niet worden gebruikt als feit in de zin van artikel 149 Rv Pro.
De tuchtrechtelijke proceskostenveroordelingen berusten niet op een kennelijke misslag
7.6
[appellant] is terecht niet opgekomen tegen de door de voorzieningenrechter toegepaste maatstaf dat in een executiegeschil op grond van artikel 438 Rv Pro geen inhoudelijke bezwaren tegen de ten uitvoer te leggen beslissing kunnen worden aangevoerd, behalve bezwaren die leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van executiebevoegdheid, bijvoorbeeld wanneer die beslissing klaarblijkelijk berust op een juridische misslag.
7.7
Volgens [appellant] doet dat laatste zich hier voor, gelet op het verschil tussen
klachtenin de zin van artikel 46c e.v. Advocatenwet en deken
bezwarenin de zin van artikel 46f Advocatenwet. Volgens hem leidt het woord “bezwaren” tot een niet voor tweeërlei uitleg vatbare tekst die geen ruimte laat voor welke interpretatie dan ook. Eenieder kan op grond van artikel 46c Advocatenwet een klacht indienen tegen een advocaat, dus ook de deken. Daarmee kan de deken ten aanzien van een advocaat in zijn arrondissement hetzij een klacht in de zin van artikel 46a Advocatenwet ter kennis brengen van de raad van discipline, hetzij een dekenbezwaar in de zin van artikel 46f Advocatenwet. In het eerste geval leidt dat tot een procedure voor de tuchtrechter die op grond van de artikelen 48 en 48ac Advocatenwet kan leiden tot het opleggen van een tuchtmaatregel en een proceskostenveroordeling, en in het tweede geval leidt dat tot een procedure die niet dat gevolg kan hebben. [appellant] voert daarbij aan dat de bewijslast voor de uitleg van de betrokken artikelen hier rust op de Orde, die zich op de gevolgen van die uitleg beroept.
7.8
Het hof volgt [appellant] niet in deze standpunten.
7.9
De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat “klaarblijkelijk” hier betekent dat sprake moet zijn van een zodanige juridische vergissing dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan.
7.1
[appellant] verliest bij zijn betoog uit het oog dat een Nederlandse wettelijke bepaling niet alleen wordt uitgelegd aan de hand van haar letterlijke bewoording, maar ook en vooral aan de hand van haar doel, context en wordingsgeschiedenis. Bij die uitleg gaat het ook niet om de vaststelling van feiten of rechten die aan de beslissing ten grondslag kunnen liggen, waardoor hier geen sprake is van bewijslastverdeling.
7.11
Uit de opzet van de artikelen 46c e.v. en 46f Advocatenwet volgt dat de wetgever met de klacht en het dekenbezwaar twee rechtsingangen in het leven heeft willen roepen voor één en dezelfde procedure bij de tuchtrechter, die in beide gevallen kan leiden tot het opleggen van tuchtmaatregelen en een proceskostenveroordeling.
7.11.1.
Bij lezing van de artikelen 46c e.v. Advocatenwet in samenhang met artikel 46f Advocatenwet is het niet waarschijnlijk dat is beoogd dat die eerste artikelen betrekking kunnen hebben op het indienen van een klacht door de deken zelf: in de bewoording van artikel 46c lid 1 Advocatenwet dat klachten tegen advocaten (schriftelijk) worden ingediend “bij de deken” ligt besloten dat die klachten van een derde afkomstig zijn, en niet van de deken. In lid 2 en de daaropvolgende artikelen gaat het vervolgens om een “klager” ten opzichte van wie de deken steeds een afzonderlijke rol vervult, namelijk als bemiddelaar, bijstandverlener en doorgeefluik, met de mogelijkheid om met redenen omkleed aan de tuchtrechter mede te delen dat de klacht volgens hem kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is.
7.11.2.
[appellant] heeft ook niet toegelicht wat kan zijn bedoeld met de zinsnede in artikel 46f Advocatenwet dat de deken bezwaren tegen een advocaat ter kennis van de raad van discipline kan brengen indien hij “buiten het geval van een klacht op de hoogte is gebracht van [die] bezwaren”, indien ook de deken zelf een klacht kan indienen in de zin van artikel 46c Advocatenwet.
7.11.3.
De uitleg van [appellant] dat de deken met artikel 46c en 46f Advocatenwet kan kiezen tussen twee rechtsingangen, waarbij alleen de eerste kan leiden tot een procedure waarin tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd en proceskostenveroordelingen kunnen worden uitgesproken, zou ook als ongerijmd gevolg hebben dat de tweede procedure verder volstrekt niet is ingekaderd, noch als het gaat om de waarborgen ter bescherming van de betrokken advocaat, noch als het gaat om de beslissingen die de tuchtrechter ten aanzien van die advocaat kan nemen. Dat is niet waarschijnlijk.
7.12
De uitleg daarentegen dat het gaat om één en dezelfde procedure wordt bevestigd door de wordingsgeschiedenis van de betrokken bepalingen. Uit die wordingsgeschiedenis volgt dat de klachten van derden en van de deken aanvankelijk waren geregeld in één voorgesteld artikel 46c, waarbij de klacht van de deken werd aangeduid als een ambtshalve door deze in te dienen klacht. Later in de wordingsgeschiedenis heeft de wetgever een splitsing is aangebracht waarbij:
(i) de regeling voor de afwikkeling van klachten van derden door de deken nader is uitgewerkt in de artikelen 46c tot en met 46e zoals daarna aangenomen; en
(ii) de door de deken zelf ter kennis van de raad van discipline te brengen klacht onder de aanduiding “bezwaar” maar zonder beoogde materiële wijziging is geregeld in een voorgesteld artikel 46f, zoals eveneens daarna aangenomen. [2]
7.13
[appellant] heeft verwezen naar (i) het landelijk procesreglement voor de raden van discipline, (ii) een procedurele beslissing van de raad van discipline voor zijn arrondissement, (iii) een beslissing op bezwaar van zijn deken op een door hem ingediend Woo-verzoek, en (iv) beslissingen van de tuchtrechter waarin wordt verwezen naar een “klacht” van de deken. Die verwijzingen stuiten af op het voorgaande en op het feit dat uit die stukken niet volgt dat de betrokken entiteiten van oordeel zijn dat een dekenbezwaar in de zin van artikel 46f Advocatenwet niet kan leiden tot een procedure waarin de betrokken advocaat op grond van artikel 48ac lid 1 van die wet kan worden veroordeeld in de proceskosten.
7.14
[appellant] heeft in Onderdeel 7 van zijn pleitaantekeningen in hoger beroep aangevoerd dat indien een dekenbezwaar materieel als klacht moet worden behandeld, daaruit volgt dat het daarbij horend regime van Paragraaf 4 Advocatenwet van toepassing is. Volgens hem zijn de waarborgen uit dat regime in de betrokken procedures echter niet in acht genomen, omdat de deken niet alle dossierstukken heeft overgelegd, zoals artikel 46d lid 6 Advocatenwet voorschrijft. Voor zover [appellant] hiermee een tweede kennelijke misslag heeft willen aanvoeren ter onderbouwing van zijn opheffingsvorderingen, gaat het hof daaraan voorbij, omdat hij dat op grond van de tweeconclusieregel bij memorie van grieven had moeten doen. Bovendien heeft hij zijn stellingen op dat punt onvoldoende onderbouwd omdat hij niet heeft toegelicht welke stukken volgens hem in het kader van de betrokken tuchtprocedures hadden moeten worden aangemerkt als dossierstukken in de zin van artikel 46d lid 6 Advocatenwet, maar niet zijn overgelegd door de deken.
Slotsom en proceskosten
7.15
Het hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Het hof zal het bestreden vonnis daarom bekrachtigen en [appellant] veroordelen in de kosten van het hoger beroep, die het aan de zijde van de Orde als volgt begroot:
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.567,-.

8.Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 2 september 2024;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Orde vastgesteld op € 3.567,-;
- bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze proceskostenveroordeling heeft voldaan en de Orde hem vervolgens dit arrest betekent, hij de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van
€ 98,-;
- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.M.H. Speyart van Woerden, F.W.J. Meijer en R.S. Le Poole, en in aanwezigheid van de griffier op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.