Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:573

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
22-002322-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging taakstraf voor opzettelijk bezit van lachgasflessen ondanks verslavingsproblematiek

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis, wegens het opzettelijk aanwezig hebben van drie flessen distikstofmonoxide (lachgas), een middel op lijst II van de Opiumwet.

In hoger beroep voerde de verdachte aan dat hij vanwege zijn verslavingsproblematiek en eerdere opname in een behandelkliniek niet in staat zou zijn een taakstraf te ondergaan zonder terugval. Hij stelde dat de dwang van een taakstraf zijn abstinentie zou kunnen schaden en dat hij door het UWV voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt was verklaard.

Het hof oordeelde dat de verdachte wel degelijk in staat is tot het verrichten van werkzaamheden, gezien zijn deelname aan praatgroepen, psychologische gesprekken en vrijwilligerswerk. De subjectieve beleving van dwang werd erkend, maar het hof benadrukte dat dwang inherent is aan strafoplegging. De taakstraf werd als passend en geboden beschouwd.

Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter en voegde een nadere motivering toe over de taakstrafongeschiktheid. De straf wordt uitgevoerd met passende intensiteit en invulling door de reclassering. Het beroep op volledige taakstrafongeschiktheid werd verworpen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de taakstraf van 40 uur voor het opzettelijk bezit van lachgasflessen ondanks de verslavingsproblematiek van de verdachte.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002322-25
Parketnummer: 09-314830-23
Datum uitspraak: 13 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 23 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te Rijswijk opzettelijk aanwezig heeft gehad 3 flessen, althans één of meer hoeveelheden, distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de politierechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis waarvan beroep met overneming van gronden wordt bevestigd, met dien verstande dat het hof de hierna te vermelden aanvulling aanbrengt.
Aanvulling van de strafmotivering
In hoger beroep is door en namens de verdachte expliciet verzocht om een andere straf op te leggen dan de door de politierechter bepaalde taakstraf, in verband met de kwetsbaarheid van de verdachte en de aanhoudende strijd tegen zijn verslavingen. De verdachte is in 2020 opgenomen geweest in een behandelkliniek in Schotland en focust zich sindsdien volledig op het vermijden van triggers. De opname heeft een positieve invloed gehad op zijn gebruik van verdovende middelen, maar de verdachte heeft ook steeds periodes van terugval. Een taakstraf zou volgens de verdachte een negatief effect hebben op zijn abstinentie. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij door het UWV 80 tot
100 % is afgekeurd om te werken en meent daarom ‘taakstrafongeschikt’ te zijn.
Naar het oordeel van het hof is niet uit het dossier of het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de verdachte helemaal niet in staat is om een taakstraf uit te voeren. Het hof overweegt daartoe als volgt. De verdachte werkt - sinds zijn opname in Schotland - de afgelopen 6 jaren aan het afkomen van zijn verslaving. De verdachte heeft verklaard hiervoor nog steeds naar praatgroepen te gaan en gesprekken te voeren met een psycholoog, waarmee in totaal zo’n 8 uur per week is gemoeid. Verder verricht de verdachte naar eigen zeggen in een vrijwillig kader klusjes voor de moskee. Daaruit blijkt dat de verdachte in staat is tot het uitvoeren van werkzaamheden. Voor zover de verdachte stelt dat juist de daarmee gepaard gaande dwang van een taakstraf zijn verslavingsproblematiek zou triggeren, geldt naar het oordeel van het hof dat deze beleving voornamelijk subjectief is en dat bovendien een bepaalde mate van dwang inherent is aan het karakter van een straf als sanctie voor het begaan van een strafbaar feit. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zelf ook van mening is dat hij straf verdient. Het hof merkt voorts nog op dat bij de executie van de taakstraf, door onder andere de reclassering, een passende intensiviteit en invulling zal worden bepaald voor de verdachte.
Het beroep dat wordt gedaan op volledige ‘taakstrafongeschiktheid’ en de aannemelijkheid daarvan wordt niet gedragen door hetgeen is aangevoerd. Het hof is daarom van oordeel dat de in het vonnis waarvan beroep opgelegde straf een passende en geboden reactie vormt.
Met in achtneming van het vorengaande verenigt het hof zich met de beslissingen van de eerste rechter. Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Appels, als voorzitter, mr. Chr.A. Baardman en mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.E.N. Birkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 april 2026.
Mr. R. Appels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.