Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:583

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.348.842/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 209 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot terzijdelegging deskundigenrapport in civiele procedure na verwijzing Hoge Raad

In deze civiele procedure na verwijzing door de Hoge Raad heeft ABMD c.s. een partijdeskundigenrapport overgelegd ter onderbouwing van haar stellingen. Buma Stemra verzocht het hof om dit rapport voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling terzijde te leggen, stellende dat overlegging in strijd zou zijn met de goede procesorde en de twee-conclusieregel.

Het hof oordeelt dat een inhoudelijke analyse van het rapport en de gedingstukken noodzakelijk is om te beoordelen of het rapport toelaatbaar is. Een dergelijke analyse voorafgaand aan de mondelinge behandeling is niet passend en leidt tot inefficiënte procesvoering en onnodige belasting van de rechterlijke capaciteit.

Het belang van kostenbesparing voor Buma Stemra weegt niet op tegen het belang van een doelmatige procesvoering. Het hof wijst erop dat Buma Stemra zelf kan besluiten een tegenrapport op te laten stellen en dat nieuwe producties tijdens de mondelinge behandeling zijn toegestaan.

De mondelinge behandeling is gepland op 29 oktober 2026. Het hof wijst de incidentele vordering af, veroordeelt Buma Stemra in de kosten van het incident en verwijst de zaak naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: De incidentele vordering tot terzijdelegging van het deskundigenrapport wordt afgewezen en de zaak wordt verwezen naar de rol voor mondelinge behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.348.842/01
Zaaknummer Hoge Raad : 22/03167
Arrest van 14 april 2026 in het incident
in de zaak van

1.Associated Business Music Distributors,

gevestigd in Hilversum,
2.
BCM Music Systems B.V.,
gevestigd in Stramproy,
3. voorheen
DJ-Matic B.V. en
The Music Marketeers B.V., thans
Stingray Europe B.V.,
gevestigd in Naarden,
4.
Easys Horeca B.V.,
gevestigd in Almelo,
5.
PB Sound B.V.,
gevestigd in Eethen,
6. X
enox Music & Media B.V.,
gevestigd in Geldermalsen
appellanten,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen

1.Vereniging Buma,

2.
Stichting Stemra,
Beiden gevestigd in Hoofddorp,
Geïntimeerden,
eisers in het incident,
advocaat: mr. M.E. Kingma, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna ABMD c.s. en Buma Stemra.

1.De zaak in het kort

1.1
ABMD c.s. heeft als productie bij haar antwoordmemorie na verwijzing een partijdeskundigenrapport overgelegd. Buma Stemra verzoekt het hof om voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak te beslissen dat dit rapport terzijde wordt gelegd en geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier. Het hof wijst de incidentele vordering af.

2.Procesverloop van de procedure in na cassatie en verwijzing

2.1
Het verloop van de procedure in na cassatie en verwijzing naar dit hof blijkt uit de volgende stukken:
  • het procesdossier van de procedure die heeft geleid tot het tussen partijen gewezen arrest van de Hoge Raad van 1 maart 2024;
  • de memorie na verwijzing van Buma Stemra;
  • de antwoordmemorie na verwijzing van ABMD c.s., met bijlagen;
  • de akte verzoek te beslissen over terzijdelegging productie van Buma Stemra;
  • de akte reactie op verzoek Buma/Stemra terzijdelegging productie ABMD c.s.

3.Aanleiding voor en vordering in dit incident

3.1
ABMD c.s. heeft de onderhavige procedure aanhangig gemaakt tegen Buma Stemra. Bij arrest van 1 maart 2024 heeft de Hoge Raad de zaak naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.
3.2
ABMD c.s. heeft als productie bij haar antwoordmemorie na verwijzing ter onderbouwing van haar stellingen een partijdeskundigenrapport overgelegd (hierna: het rapport). Buma Stemra heeft het hof verzocht om voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak te beslissen dat dit rapport terzijde wordt gelegd en geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier, omdat (samengevat) het overleggen van dat rapport in strijd zou zijn met de goede procesorde en/of de twee-conclusie-regel.
3.3
ABMD c.s. voert verweer en verzoekt het hof het rapport toe te laten tot het procesdossier. Verder verzoekt zij het hof om indien een tegenrapport wordt toegestaan, daaraan een redelijke termijn en omvang te verbinden.
3.4
Beide partijen verzoeken het hof ten slotte om op korte termijn uitspraak te doen op het verzoek van Buma/Stemra.

4.Beoordeling van de vordering in incident

4.1
Een incidentele vordering is een vordering die is gericht op een beslissing over een (processueel) punt dat samenhangt met de behandeling van de zaak, maar dat niet het geschil zelf betreft. Het hof beschouwt het verzoek van Buma Stemra als een incidentele vordering waarop Buma Stemra eerst en vooraf een beslissing wenst.
4.2
Als een bijzondere wettelijke regeling ontbreekt, zoals bij dit geval, behandelt en beslist de rechter op een incidentele vordering eerst en vooraf ‘indien de zaak dat medebrengt’ (artikel 209 Rv Pro). Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter, aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding. [1]
4.3
Om de vraag te kunnen beantwoorden of overlegging van het hier bedoelde rapport in strijd is met de goede procesorde en/of de twee-conclusieregel is een nauwkeurige inhoudelijke analyse van de gedingstukken nodig. Voorafgaand aan en los van de mondelinge behandeling van de zaak is voor zo’n analyse geen plaats. Dit zou immers betekenen dat het hof zich in het kader van het incident reeds vergaand in de zaak zou moeten verdiepen en later nogmaals met het oog op de mondelinge behandeling en/of de uitspraak. Een dergelijke inefficiënte zaaksbehandeling gaat ten koste van schaarse rechtelijke capaciteit en de daarmee gemoeide publieke middelen, en leidt daarmee tot ondoelmatige procesvoering. Naar aanleiding van de stelling van Buma Stemra dat met het opstellen van een tegenrapport kosten zijn gemoeid die tevergeefs zouden zijn gemaakt wanneer het hof te zijner tijd zou beslissen dat het rapport niet toelaatbaar is, overweegt het hof dat dit belang niet opweegt tegen dit belang van een doelmatige procesvoering. Kostenbesparing bij een procespartij is niet belangrijker dan voorkoming van het capactiteitsbeslag en de kostenvergroting die daardoor bij het gerechtelijk apparaat wordt teweeggebracht. Dat niet kan worden aangenomen dat het kostenbesparingsbelang boven het doelmatigheidsbelang gaat, kan nader worden geïllustreerd aan de hand van het (ad absurdum-)voorbeeld dat een partij in een incident vordert dat de rechter ‘eerst en vooraf’ beslist dat een bepaalde stelling of verweer van de wederpartij niet relevant is, zodat zij geen kosten hoeft te maken om die stelling of dat verweer te bestrijden. Niet voor discussie vatbaar is dat een dergelijke vordering geen kans van slagen heeft. Het is, kortom, uitsluitend aan Buma Stemra om te bepalen of zij een tegenrapport wil laten opmaken.
4.4
De mondelinge behandeling in deze zaak zal plaatsvinden op 29 oktober 2026. Buma Stemra heeft dus nog voldoende tijd om desgewenst een tegenrapport te laten opstellen en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in het geding te brengen.
4.5
In verband met de door Buma Stemra te maken afweging of zij de met een tegenrapport gemoeide kosten wenst te maken, wijst het hof er ten slotte overigens op dat bij de voortzetting van het debat over een reeds aan de orde zijnd geschilpunt dat na cassatie en verwijzing opnieuw van belang wordt in het algemeen ook nieuwe producties mogen worden overgelegd waarin eerdere stellingen kunnen worden gepreciseerd en nader onderbouwd, zonder dat dit afstuit op de goede procesorde of de tweeconclusieregel. [2]
4.6
Het hof zal de incidentele vordering afwijzen.

5.Beslissing

Het hof:
in het incident
  • wijst de incidentele vordering van Buma Stemra af;
  • veroordeelt Buma Stemra in de kosten van de procedure in het incident, aan de zijde van ABMD c.s. tot op heden begroot op € 1.290,-;
in de hoofdzaak
  • verwijst de zaak naar de rol van 29 oktober 2026 voor mondelinge behandeling;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. A.D. Kiers-Becking, mr. M.Y. Bonneur en mr. R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176.
2.HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8991