Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:658

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.357.129/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 3:37 lid 3 BWArt. 353 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering schadevergoeding afgewezen wegens verjaring na onvoldoende stuiting

Appellant vorderde schadevergoeding wegens tekortkomingen van geïntimeerde als werkgever, met een causaal verband tussen het handelen van geïntimeerde en zijn ziekte. De arbeidsovereenkomst eindigde in juli 2018 na langdurige arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde dat de verjaring was gestuit door e-mails in september 2020.

Het hof oordeelde dat de vordering verjaard is omdat de verjaring slechts eenmaal was gestuit door een brief van december 2018. De e-mails van september 2020 waren niet gericht aan een adres waarvan appellant redelijkerwijs mocht aannemen dat geïntimeerde daar bereikbaar was, waardoor deze geen geldige stuitingshandelingen vormden.

De procedure in hoger beroep leidde tot bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter, die de vorderingen had afgewezen. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof wees het bewijsaanbod van appellant af en verklaarde geïntimeerde niet-ontvankelijk in haar vordering tot proceskostenveroordeling van de eerste aanleg.

Uitkomst: De vordering van appellant is verjaard en het hoger beroep wordt afgewezen met bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.357.129/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11153989 CV EXPL 24-14797
Arrest van 28 april 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. S. Karkache, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.G. Mahn, kantoorhoudend in Amstelveen.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
De vordering van [appellant] (schadevergoeding in verband met gestelde tekortkomingen van [geïntimeerde] ) is verjaard, omdat de verjaring tussen 7 mei 2019 en 19 december 2023 niet (voor de tweede keer) is gestuit. [appellant] heeft niet voldoende onderbouwd dat de e-mails van 11 en 30 september 2020 zijn aan te merken als geldige stuitingshandelingen. Dat betekent dat de vorderingen van [appellant] worden afgewezen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt – voor zover van belang – uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 3 juli 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van (het hof begrijpt) 4 april 2025 (het bestreden vonnis);
  • de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met bijlagen.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[appellant] is op 10 augustus 1998 bij (Bakkersland Rotterdam, een rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] in dienst getreden.
3.2
Op 22 september 2015 heeft [appellant] zich ziek gemeld. Eind januari 2016 is hij begonnen met re-integratie in zijn eigen functie. Op 23 februari 2016 viel hij weer volledig uit. De werkzaamheden zijn daarna niet meer hervat.
3.3
Op 19 december 2016 heeft mr. Karkache de HR Business Partner van (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] ge-e-maild, met de mededeling dat [appellant] niet bij de bedrijfsarts zal verschijnen op 20 december 2016. Hij schrijft verder:
“(…) De heer [appellant] is vanwege zijn ernstig verslechterende gezondheid niets in staat om morgen en overmorgen bij deze afspraken te komen. Hij is lichamelijk noch geestelijk aan toe. Deze ontwikkelde klachten zijn allemaal terug te voeren op de manier hoe op de werkvloer-met uw al dan niet stilzwijgende toestemming is omgegaan met de heer [appellant] . U bent de afgelopen 1-2 jaren ernstig in uw taken als werkgever tekortgeschoten.
Ik verzoek u daarmee rekening te houden.
Ik dacht goed aan te doen u daarover te berichten.
De heer [appellant] is dan ook voornemens U in rechte te betrekken met betrekking tot het verzaken van uw verplichtingen als werkgever. Client stelt dat er een causaal verband is tussen uw nalaten c.q. handelen en zijn ontstane ziekte. De ziekte is werkgerelateerd.”
3.4
Op 20 december 2016 heeft de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] per brief gereageerd op de e-mail van mr. Karkache.
3.5
[geïntimeerde] heeft op 13 april 2018 toestemming van het UWV gekregen om de arbeidsovereenkomst met [appellant] op te zeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.
3.6
Het dienstverband tussen partijen is op 31 juli 2018 geëindigd.
3.7
In een brief van 19 december 2018 heeft mr. Karkache aan [geïntimeerde] geschreven:
“(...) Client stelt dat er een causaal verband is tussen uw nalaten c.q. handelen en zijn ontstane ziekte. De ziekte is werkgerelateerd.
Er is sprake van zeer slecht werkgeverschap.
Ik verzoek u thans aansprakelijkheid te erkennen. Vanzelfsprekend is hij bereid de zaak in der minne te schikken. Ieder redelijk en billijk voorstel van uw zijde is welkom. (...).”
3.8
Op 17 januari 2019 heeft mr. Karkache een e-mail van het assurantiekantoor van [geïntimeerde] ontvangen, waarin onder meer staat:
“Via onze cliënt (…) kwamen wij (…) in het bezit van uw aansprakelijkheidstelling d.d. 19 december 2018 inzake bovengenoemde schadekwestie. (…)”
3.9
Bakkerij [naam 1] is onderdeel van hetzelfde concern als [geïntimeerde] . Op 11 september 2020 heeft mr. Karkache aan [e-mailadres 1] geschreven:
“(...) Er is door de behandelaars vastgesteld dat de ziekte en uitval van de heer [appellant] een directe link-causaal verband- hebben met de werkzaamheden en onfrisse behandelingen binnen de onderneming.
Gaat u als opvolger over tot erkenning van de aansprakelijkheid? Er was in het verleden contact met [HR Business Partner van (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] , hof].
Graag verneem ik tijdig van U. De zaak dateert inmiddels van bijna 2 jaar geleden.
Dit schrijven kunt u aanmerken als officiële sommatie (...).”

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd:
voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] jegens [appellant] is tekortgeschoten bij het nakomen van haar verplichtingen als werkgever;
[geïntimeerde] te veroordelen om de door [appellant] geleden schade en nog te lijden schade te vergoeden c.a. te betalen, en bij staat vast te stellen:
a. in ieder geval de immateriële geleden schade van € 25.000,-;
b. het gemis aan inkomsten als gevolg van de toegekende IVA-uitkering van € 65.000,- vanaf de eerste toekenning van de IVA-uitkering;
c. verhoogd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019;
3) met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, waaronder het salaris van de gemachtigde van € 2.500,- en het griffierecht.
4.2
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellant] wil dat het hof zijn vorderingen alsnog toewijst. Hij heeft twee bezwaren (‘grieven’) tegen het bestreden vonnis.
5.2
[geïntimeerde] wil dat het hof (a) [appellant] niet-ontvankelijk verklaart omdat aan de dagvaarding in hoger beroep te veel gebreken kleven, of (b) het bestreden vonnis bekrachtigt en (met uitvoerbaarverklaring bij voorraad) primair de advocaat mr. Karkache veroordeelt in de proceskosten van dit geding inclusief de nakosten, alsmede de proceskosten in eerste aanleg, subsidiair [appellant] veroordeelt in de proceskosten van dit geding inclusief de nakosten.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
De vraag die het hof als eerste zal beantwoorden, is of de vordering van [appellant] is verjaard. Het hof is van oordeel dat dit inderdaad zo is. Hieronder licht het hof dit oordeel toe.
Verjaring, stuiting en de ontvangstleer
6.2
Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. [1]
6.3
De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. [2]
6.4
Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring (de stuitingshandeling) moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt (de ontvangstleer). [3] De afzender (in dit geval [appellant] ) moet in beginsel feiten of omstandigheden stellen en zonodig bewijzen waaruit volgt dat de stuitingshandeling door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde (in dit geval [geïntimeerde] ) daar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring daar is aangekomen. [4] Als adres in de vorige zin kan in beginsel worden aangemerkt: het zakelijke adres van [geïntimeerde] en het adres waarvan [appellant] op grond van verklaringen of gedragingen van [geïntimeerde] mocht aannemen dat zij daar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld haar postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door [geïntimeerde] is gebruikt.
De brief van 19 december 2018
6.5
Het hof is van oordeel dat deze brief [geïntimeerde] heeft bereikt (zie 3.7). Aangezien het assurantiekantoor van [geïntimeerde] op deze brief heeft gereageerd (zie 3.8), neemt het hof aan dat [geïntimeerde] deze brief na ontvangst heeft doorgestuurd naar haar assurantiekantoor. Dat betekent dat de verjaring op 19 december 2018 is gestuit.
6.6
Op die datum is de verjaringstermijn dus opnieuw gaan lopen. De einddatum van die verjaringstermijn is 19 december 2023. De dagvaarding van [appellant] is van 7 mei 2024. Dat betekent dat de verjaring tussen 7 mei 2019 en 19 december 2023 voor een tweede keer moet zijn gestuit om tot de conclusie te kunnen komen dat de vordering van [appellant] niet is verjaard.
De e-mails van 11 en 30 september 2020
6.7
[appellant] heeft betoogd dat de verjaring door de e-mails van mr. Karkache op 11 en 30 september 2020 is gestuit, maar [geïntimeerde] zegt dat deze berichten haar niet hebben bereikt. Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat deze e-mails niet zijn aan te merken als stuitingshandelingen. Het hof licht dit oordeel als volgt toe.
6.8
De e-mail van 11 september 2020 is verstuurd aan [e-mailadres 1] (zie 3.9). Dat is niet het e-mailadres van [geïntimeerde] . Bakker [naam 1] is een bedrijf dat onderdeel is van hetzelfde concern als [geïntimeerde] , maar nergens blijkt uit dat de twee bedrijven gezamenlijk gebruikmaken van een algemeen e-mailaccount, zoals [appellant] zonder verdere onderbouwing stelt. In het citaat waarnaar [appellant] verwijst (zie hieronder), staat duidelijk dat de twee bedrijven gesplitst als zelfstandige bedrijven verder gaan. Mr. Karkache (namens [appellant] ) heeft daaruit dus (juist) niet redelijkerwijs mogen afleiden dat [geïntimeerde] via dit e-mailadres door hem kon worden bereikt.
[geïntimeerde] -BAKKERSLAND VERDER ALS [geïntimeerde] EN [naam 1]
14-05-2018Bakkersbedrijf [geïntimeerde] -Bakkersland splitst per 14 mei 2018 de combinatie op in meerdere zelfstandige bedrijven die verder gaan onder de namen [naam 1] en [geïntimeerde] .
De familie [geïntimeerde] , die in november 2016 Bakkersland overnam (…), neemt deze stap vanuit de wens flexibel te blijven in een branche waar dagverse producten centraal staan. Door het bedrijf te splitsen kan de familie haar klanten sneller, beter en efficiënter bedienen.
De zelfstandige bedrijven dragen de voor- of achternaam van [naam 1] [geïntimeerde] , die zich in 1895 vestigde als bakker in Oude Pekela.(…)”
6.9
Volgens [appellant] heeft mr. Karkache de e-mail van 11 september 2020 op 30 september 2020 doorgestuurd naar [e-mailadres 2] . [geïntimeerde] wijst er terecht op dat de kop van de e-mail lijkt te zijn bewerkt, waardoor aan de echtheid van deze e-mail kan worden getwijfeld. Maar ook als – veronderstellenderwijs – wordt aangenomen dat de e-mail daadwerkelijk is verstuurd, is geen sprake van een geldige stuitingshandeling. [appellant] heeft namelijk niet onderbouwd waarom hij redelijkerwijs mocht aannemen dat [geïntimeerde] op dit e-mailadres door hem kon worden bereikt. Buiten het feit dat [naam 2] op dat moment al meer dan een jaar niet meer voor [geïntimeerde] werkte, heeft [appellant] ook niet toegelicht waarom hij ervoor heeft gekozen om specifiek [naam 2] aan te schrijven. Afgaand op het dossier heeft mr. Karkache niet eerder contact gehad met [naam 2] , maar wel met een andere werknemer van [geïntimeerde] , namelijk met de HR Business Partner van (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] (zie 3.3). Mr. Karkache bevestigt in zijn e-mail zelfs nog dat hij in het verleden contact met haar heeft gehad (zie 3.9). Ook heeft mr. Karkache contact gehad met de advocaat van [geïntimeerde] en het assurantiekantoor van [geïntimeerde] (zie 3.4 en 3.8). In plaats van één van deze personen te e-mailen, heeft mr. Karkache er namens [appellant] voor gekozen twee schijnbaar willekeurige andere e-mailadressen aan te schrijven. Het gevolg is dat de verjaring niet is gestuit en de vordering is verjaard.
6.1
Het voorgaande betekent dat de tweede grief van [appellant] tegen het vonnis niet slaagt. Aan het behandelen van de eerste grief komt het hof daarom niet meer toe.
Bewijsaanbod
6.11
[appellant] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. Zijn bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.
De proceskosten in eerste aanleg
6.12
[geïntimeerde] heeft ten aanzien van de proceskosten primair gevorderd dat mr. Karkache (in plaats van [appellant] ) wordt veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Het hof verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in deze vordering voor wat betreft de proceskosten van de eerste aanleg, omdat het niet mogelijk is om in hoger beroep voor het eerst een tegenvordering (‘eis in reconventie’) in te stellen. [5]
De conclusie
6.13
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.14
Het voorgaande neemt niet weg dat het hof zich ook voor deze hoger beroepsprocedure aansluit bij de overweging van de kantonrechter op dit punt:
“Naar het oordeel van de kantonrechter zou het de advocaat van werknemer sieren als hij deze kostenveroordeling voor zijn rekening neemt. Het valt de advocaat, die al vanaf in elk geval de ontslagprocedure bij UWV (2018) betrokken was bij deze kwestie, ernstig aan te rekenen dat hij de gestelde vordering heeft laten verjaren door geen behoorlijke stuitingshandeling te verrichten en pas bij dagvaarding van 7 mei 2024 deze zaak aanhangig te maken. Dit terwijl al in de brief van 19 december 2018 (die overigens ook niet aangetekend is verzonden, zie tussenvonnis) het standpunt werd ingenomen dat werkgever aansprakelijk was voor de schade van werknemer.”
6.15
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.306,-

7.Beslissing

Het hof:
  • verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in haar vordering tot veroordeling van mr. Karache in de proceskosten van de eerste aanleg;
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 4 april 2025;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.306,-;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars M.J. van der Ven en A.J.P. van Beurden en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 3:310 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 3:317 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 3:37 lid 3 BW Pro.
4.Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, r.n. 3.3.2.
5.Artikel 353 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).