Op 5 januari 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag een wrakingsverzoek afgewezen dat was ingediend door een verzoeker in een belastingzaak. Het verzoek tot wraking was gericht tegen mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, de voorzitter van de meervoudige belastingkamer, en was ingediend tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak op 9 december 2025. De verzoeker stelde dat de raadsheer vooringenomen was en niet onpartijdig kon oordelen over zijn zaak. Hij noemde specifieke punten, zoals het negeren van cruciale argumenten en het ondersteunen van de gemachtigde van de wederpartij door de rechter.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de mogelijkheid biedt om rechters te wraken op basis van feiten die de onpartijdigheid in gevaar kunnen brengen. De kamer benadrukte dat rechters uit hoofde van hun aanstelling vermoed worden onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die dit vermoeden weerleggen. De kamer concludeerde dat de redenen die de verzoeker aanvoerde voor zijn wrakingsverzoek geen steun vonden in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
Uiteindelijk werd het wrakingsverzoek als kennelijk ongegrond afgewezen, en de beslissing werd openbaar uitgesproken op dezelfde dag. Een afschrift van de uitspraak is naar de betrokken partijen verzonden, waaronder de verzoeker en de raadsheer wier wraking was verzocht.