ECLI:NL:GHDHA:2026:8

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
200.362.408/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een wrakingsverzoek in belastingzaak

Op 5 januari 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag een wrakingsverzoek afgewezen dat was ingediend door een verzoeker in een belastingzaak. Het verzoek tot wraking was gericht tegen mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, de voorzitter van de meervoudige belastingkamer, en was ingediend tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak op 9 december 2025. De verzoeker stelde dat de raadsheer vooringenomen was en niet onpartijdig kon oordelen over zijn zaak. Hij noemde specifieke punten, zoals het negeren van cruciale argumenten en het ondersteunen van de gemachtigde van de wederpartij door de rechter.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de mogelijkheid biedt om rechters te wraken op basis van feiten die de onpartijdigheid in gevaar kunnen brengen. De kamer benadrukte dat rechters uit hoofde van hun aanstelling vermoed worden onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die dit vermoeden weerleggen. De kamer concludeerde dat de redenen die de verzoeker aanvoerde voor zijn wrakingsverzoek geen steun vonden in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.

Uiteindelijk werd het wrakingsverzoek als kennelijk ongegrond afgewezen, en de beslissing werd openbaar uitgesproken op dezelfde dag. Een afschrift van de uitspraak is naar de betrokken partijen verzonden, waaronder de verzoeker en de raadsheer wier wraking was verzocht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer: 200.362.408/01
Nummer hoofdzaak: BK-25/474
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 5 januari 2026
inzake het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de hoofdzaak met genoemd nummer van:

[X] te [Z] , verzoeker.

Het geding

1. Op 9 december 2025 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, voorzitter van de meervoudige belastingkamer in bovengenoemde hoofdzaak (hierna: de raadsheer wier wraking is verzocht). Verzoeker heeft het wrakingsverzoek schriftelijk ingediend tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak.
2. De raadsheer wier wraking is verzocht heeft de wrakingskamer meegedeeld niet te berusten in het verzoek tot wraking.

Het wrakingsverzoek

3. Verzoeker heeft aan zijn ter zitting overgelegde verzoek tot wraking het volgende ten grondslag gelegd:
“De reden voor mijn wrakingsverzoek is dat ik van mening ben dat de rechter vooringenomen is en zich niet onpartijdig opstelt, wat leidt tot de schijn van partijdigheid.
Specifiek verwijs ik naar:
1. Mijn cruciaal punten van mijn argumentatie negeerde
2. Tijdens de zitting de rechter meerdere malen tussenbeide kwam om de gemachtigde van de wederpartij te ondersteunen
Deze feiten en omstandigheden leiden bij mij tot de overtuiging dat rechter niet langer onpartijdig over mijn zaak kan oordelen.”

Beoordeling van het wrakingsverzoek

4. Op grond van artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:108, lid 1, Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep in belastingzaken.
5. Volgens vaste jurisprudentie dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (vgl. onder meer HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770 en HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7956).
6. Wat verzoeker als redenen voor het wrakingsverzoek aanvoert in zijn ter zitting overgelegde – en reeds voorafgaand aan de zitting opgestelde – verzoek tot wraking vindt evident geen steun in hetgeen blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 9 december 2025 ter zitting is voorgevallen. Het wrakingsverzoek kan daarom, bij gebrek aan feitelijke grondslag, niet tot de conclusie leiden dat de raadsheer wier wraking is verzocht jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, of dat een bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
7. De wrakingskamer doet dit verzoek om wraking af zonder behandeling ter zitting (zie artikel 4, lid 1, letter a, van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag). Het verzoek is kennelijk ongegrond. Gelet hierop dient het verzoek tot wraking te worden afgewezen.

Beslissing

De wrakingskamer:
  • wijst het verzoek tot wraking af;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, aan de raadsheer wier wraking is verzocht, alsmede aan de Inspecteur.
Deze beslissing is gegeven op 5 januari 2026 door K. Schaffels, voorzitter, P. Glazener en A.E. Sutorius – van Hees, in aanwezigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per aangetekende post verzonden op: