ECLI:NL:GHDHA:2026:94

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
200.333.491/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 6:265 lid 2 BWArt. 6:82 lid 1 BWArt. 7:758 lid 2 BWArt. 7:758 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontbinding aannemingsovereenkomst wegens non-conformiteit kozijnen en gevelbekleding

Appellant heeft in opdracht van geïntimeerde kozijnen, een schuifpui, gevelbekleding en een voordeur vervangen. Geïntimeerde was ontevreden over de uitvoering en ontbond de overeenkomst. De rechtbank wees de vordering van appellant af en veroordeelde hem tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen.

In hoger beroep bevestigt het hof dat de tekortkomingen in het werk, zoals vastgesteld in een deskundigenrapport, substantieel zijn en de ontbinding rechtvaardigen. Appellant voerde verweren aan over de deskundigheid van het rapport en nadere afspraken, maar kon deze onvoldoende onderbouwen.

Het hof oordeelt dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was en dat er geen sprake is van rechtsverwerking. De waarde van het werk is nihil omdat alle geleverde goederen moeten worden vervangen. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant wordt veroordeeld in de kosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de aannemingsovereenkomst wegens gebrekkige uitvoering en veroordeelt appellant tot terugbetaling en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.333.491/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10079954 CV EXPL 22-27002
Arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellant], t.h.o.d.n. "[handelsnaam]",
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. K.R. Stephan, kantoorhoudend in Haarlem,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. A. Aksü, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde].

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] heeft in opdracht van [geïntimeerde] kozijnen, een schuifpui, gevelbekleding en een voordeur vervangen van de woning van [geïntimeerde]. Hij vordert in dit geding betaling van het restant van de overeengekomen aanneemsom. [geïntimeerde] is echter niet tevreden met het uitgevoerde werk en heeft de overeenkomst ontbonden. [geïntimeerde] wil terugbetaling van wat hij aan [appellant] heeft betaald.
1.2
De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen en voor recht verklaard dat de overeenkomst is ontbonden. De rechtbank heeft [appellant] verder veroordeeld tot terugbetaling van wat [geïntimeerde] aan [appellant] heeft betaald.
1.3
Het hof bekrachtigt in dit hoger beroep het vonnis van de rechtbank.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 6 oktober 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2023;
  • het tussenarrest van 28 november 2024, waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast (deze is niet gehouden);
  • de akte overlegging aanvullende producties van [appellant] van 7 maart 2024, met producties 10 tot en met 14;
  • de memorie van grieven van [appellant];
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde];
  • de bijlage (productie 15) die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de bijlagen (foto’s en filmpjes, met begeleidende brief van mr. Aksü van 17 november 2025) die [geïntimeerde] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 28 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[appellant] heeft op 2 augustus 2021 twee offertes aan [geïntimeerde] gestuurd voor het aanbrengen van Keralit gevelbekleding, kozijnen (waaronder een schuifpui) en een voordeur voor de woning van [geïntimeerde]. De totale aanneemsom bedroeg € 24.000,-. [geïntimeerde] heeft deze offertes geaccepteerd.
3.2
Ook op 2 augustus 2021 heeft [appellant] zijn eerste factuur aan [geïntimeerde] gezonden. Deze bedroeg € 12.000,- en is door [geïntimeerde] voldaan.
3.3
Op 20 januari 2022 heeft [geïntimeerde] een brief aan [appellant] gestuurd waarin klachten over het geleverde werk zijn geuit. De klachten betroffen uitstel van de werkzaamheden, de kleur van het Keralit en de maat van de kozijnen. Ook heeft [geïntimeerde] zich in deze brief erover beklaagd dat de kozijnen geen houtnerf hebben, en dat delen van het Keralit niet goed zijn afgewerkt. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:
Met deze brief stellen wij u in gebreke, omdat u uw afspraken diverse keren niet nagekomen bent en uw werk niet netjes heeft afgeleverd.
(…)
Via deze brief geven wij u een laatste kans om u aan de afspraken te houden. Wij geven u hiervoor 3 weken de tijd, uiterlijk 13 februari 2022. Doet u dat niet, dan zullen wij ons contract ontbinden.(…)
3.4
Op 6 maart 2022 heeft [appellant] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 8.000,-. [geïntimeerde] heeft deze factuur onbetaald gelaten.
3.5
Bij brief van 5 april 2022 heeft [geïntimeerde] de overeenkomst ontbonden.
3.6
Bij brief van 15 april 2022 heeft [appellant] verzocht om betaling van € 12.000,-. [geïntimeerde] heeft aan dit verzoek niet voldaan.
3.7
[geïntimeerde] heeft SRBA Bouwkundig Advies B.V. verzocht een rapport op te stellen over de verrichte werkzaamheden. Op 18 mei 2022 heeft ir. [naam] aan [geïntimeerde] een rapport toegestuurd (hierna: het SRBA-rapport). In dit rapport zijn de volgende gebreken aan het werk vastgesteld:
de schuifpui in de achtergevel heeft geen “houtlook” en moet worden vervangen;
het raamkozijn in de achtergevel heeft geen “houtlook”, is te klein besteld en gemonteerd en moet worden vervangen;
voor de nieuwe geplaatste kunststof geveldelen bij de schuur zijn foutieve profielen toegepast en die zijn ook foutief gemonteerd. Zij moeten opnieuw worden gemonteerd, met toepassing van de juiste profielen;
e nieuw geplaatste gevelbeplating in de achtergevel moet worden verwijderd. De onderliggende “oude” houten gevelbeplating moet worden verwijderd, waarna de nieuwe kunststof gevelbeplating volgens de montagerichtlijnen van Keralit met toepassing van de juiste profielen opnieuw kan worden gemonteerd;
de kunststof gevelbeplating van de uitbouw moet opnieuw worden gemonteerd met toepassing van de juiste profielen en volgens de montagerichtlijnen van Keralit;
het voordeurkozijn moet worden bijgesteld en op een nette wijze aan de binnenzijde worden afgewerkt. De deur moet vervangen worden. Het slot moet ook worden vervangen;
het keukenraam moet worden vervangen, want het is te klein besteld, geleverd en gemonteerd;
de kunststof gevelbekleding in de voorgevel moet opnieuw worden gemonteerd (waterpas) met toepassing van de juiste profielen en volgens de montagerichtijnen van Keralit).

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 12.000,- (te vermeerderen met wettelijke rente), buitengerechtelijke incassokosten van € 895,- en de proceskosten.
4.2
[geïntimeerde] heeft op zijn beurt gevorderd (in reconventie) dat voor recht wordt verklaard dat [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de aannemingsovereenkomst en dat de overeenkomst is ontbonden, althans heeft hij gevorderd dat de overeenkomst wordt ontbonden. [geïntimeerde] heeft verder gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 12.000,-, alsmede tot betaling van een schadevergoeding van € 34.886,12 en € 1.359,87 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
4.3
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden. [appellant] is veroordeeld tot terugbetaling van € 12.000,- en € 862,13 aan schadevergoeding (de rapportagekosten van SRBA). Verder is [appellant] veroordeeld tot betaling van € 895,- aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. De (verdere) vordering tot schadevergoeding van [geïntimeerde] is afgewezen.
4.4
Aan haar oordeel heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] zijn stellingen over het gebruik van onjuiste materialen en de niet en niet behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden, voldoende heeft onderbouwd met het SRBA-rapport. [appellant] heeft op zijn beurt zijn verweer daartegen niet van een voldoende onderbouwing voorzien, zodat geconcludeerd moet worden dat het werk niet behoorlijk is uitgevoerd. Dat [geïntimeerde] in verband met de vertraging meerwerk heeft geaccepteerd, brengt niet mee dat hij de non-conformiteit van het werk ook heeft geaccepteerd. Dat er op 25 en 28 februari 2022 een oplevering heeft plaatsgevonden, blijkt niet uit de stukken en uit de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling. Nu [appellant] de tekortkomingen waarover [geïntimeerde] heeft geklaagd, niet heeft hersteld, kon [geïntimeerde] de overeenkomst ontbinden. [appellant] moet daarom terugbetalen wat [geïntimeerde] al heeft voldaan. De door [appellant] reeds verrichte werkzaamheden hebben voor [geïntimeerde] geen waarde gehad, zodat de ongedaanmaking daarvan niet leidt tot een verplichting van [geïntimeerde] om enige vergoeding te betalen.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellant] vordert, naast vernietiging van het bestreden vonnis, hetzelfde als bij de rechtbank.

6.Beoordeling in hoger beroep

Inleiding

6.1
Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vordering tot schadevergoeding. Dat afgewezen deel van de vordering ligt in hoger beroep dus niet meer voor.
6.2
Het gaat in deze zaak om de vraag of [geïntimeerde] de aannemingsovereenkomst met [appellant] heeft mogen ontbinden. Uit artikel 6:265 lid 1 BW Pro volgt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een of meer verbintenissen uit de overeenkomst, de wederpartij van degene die tekortschiet de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Uit lid 2 volgt dat, als de nakoming van de verbintenis niet tijdelijk of blijvend onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is.
6.3
Uit artikel 6:82 lid 1 BW Pro volgt dat het verzuim onder meer intreedt indien de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen die termijn uitblijft.
6.4
Artikel 7:758 lid 2 BW Pro bepaalt dat een uitgevoerd werk na oplevering voor risico van de opdrachtgever is. Een werk is opgeleverd na aanvaarding daarvan door de opdrachtgever. Die aanvaarding wordt geacht stilzwijgend te hebben plaatsgevonden indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoudt aanvaardt, dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert. Uit lid 3 volgt dat de aannemer is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken.
6.5
Het hof zal binnen dit kader de door [appellant] opgeworpen grieven bespreken.
Tekortkomingen in het verrichte werk (grief III)
6.6
Met grief III voert [appellant] in de kern aan dat het SRBA-rapport ondeugdelijk is en dat het vonnis een verrassingsbeslissing bevat. Dat laatste betoog kan het hof onbesproken laten omdat in hoger beroep een nieuwe behandeling van de zaak plaatsvindt.
6.7
Ten aanzien van het eerste deel van het betoog van [appellant] stelt het hof vast dat het SRBA-rapport een (groot) aantal duidelijk omschreven tekortkomingen in het werk van [appellant] heeft vastgesteld. [appellant] heeft een deel van de tekortkomingen wel betwist, maar heeft tegenover het rapport van de door [geïntimeerde] ingeschakelde deskundige, geen eigen deskundigenrapport gesteld. Ook heeft hij niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd weersproken dat de in het SRBA-rapport vastgestelde tekortkomingen daadwerkelijk aanwezig zijn.
6.8
[appellant] stelt dat de onderzoeker partijdig was en geen hoor en wederhoor heeft toegepast. Het hof volgt [appellant] niet in dat betoog. Uit het rapport is voor [appellant] af te leiden welke onderzoeksmethode is gebruikt en hoe de conclusies zijn getrokken. De conclusies worden onderbouwd met foto’s waarop [appellant] de bevindingen van de deskundige heeft kunnen controleren. Dat [geïntimeerde] [appellant] niet in de gelegenheid heeft willen stellen zelf onderzoek te doen naar de gebreken, volgt niet uit de stellingen van [appellant]. In het bijzonder blijkt daaruit niet dat [appellant] een dergelijk verzoek heeft gedaan en dat dit is geweigerd.
6.9
[appellant] stelt dat niet is onderbouwd dat de Aluplast kozijnen en het HR++ glas niet daadwerkelijk zijn geplaatst. Ook als dat juist is, blijven er evenwel voldoende gebreken over die de ontbinding kunnen dragen.
6.1
[appellant] weerspreekt verder de bevindingen van SRBA, omdat de “toegepaste normen” ontbreken of omdat “niet eens duidelijk wordt wat het gebrek überhaupt zou zijn.” Dat betoog gaat voorbij aan de hiervoor weergegeven opsomming van gebreken, waaruit duidelijk wordt dat het werk niet voldoet aan de overeenkomst en aan de kwaliteitseisen die aan dergelijk werk mogen worden gesteld.
6.11
Het hof ziet tegen de achtergrond van het voorgaande geen aanleiding een gerechtelijk deskundige aan te wijzen en zal uitgaan van de in het SRBA-rapport geconstateerde gebreken.
Nadere afspraken (grieven II en IV)?
6.12
Met grief II voert [appellant] aan dat hij na de ingebrekestelling nadere afspraken met [geïntimeerde] heeft gemaakt, en dat hij heeft toegezegd meerwerk te verrichten waarmee de door [geïntimeerde] ervaren tekortkomingen in de nakoming zouden worden ondervangen. [geïntimeerde] heeft betwist dat er nadere afspraken zijn gemaakt die ertoe strekken dat hij geen aanspraak meer zou kunnen maken op deugdelijke nakoming van de overeenkomst.
6.13
Het hof is van oordeel dat [appellant] tegenover de betwisting door [geïntimeerde] niet voldoende heeft onderbouwd dat er nadere afspraken zijn gemaakt op grond waarvan [geïntimeerde] geen aanspraak meer zou kunnen maken op deugdelijke nakoming van de overeenkomst. Die afspraak is kennelijk nergens schriftelijk vastgelegd, terwijl de aard van de gebreken het bepaald onaannemelijk maakt dat [geïntimeerde] met zo’n regeling zou instemmen. Het feit dat [geïntimeerde] na 20 januari 2022 niet zou hebben vastgehouden aan de in die brief gestelde “harde termijn”, is ook niet voldoende voor de conclusie dat [geïntimeerde] heeft ingestemd met een nader voorstel van [appellant]. Overigens wordt niet duidelijk gemaakt op welke manier [geïntimeerde] wel of niet had kunnen vasthouden aan de gestelde harde termijn. [appellant] stelde zich immers op het standpunt dat de werkzaamheden op juiste wijze waren verricht, zodat [geïntimeerde] weinig anders restte dan uiteindelijk de ontbinding van de overeenkomst in te roepen.
6.14
Grief IV komt op tegen de overweging van de rechtbank dat het feit dat [appellant] heeft aangeboden meerwerk te verrichten, erop duidt dat de klachten van [geïntimeerde] niet ongegrond waren. Het hof kan die grief onbesproken laten. Zoals hiervoor is overwogen, is het hof met de rechtbank van oordeel dat uit het SRBA-rapport blijkt dat het werk gebreken bevatte. Het is dus niet relevant of [appellant] die al dan niet heeft erkend.
Oplevering (grief V)
6.15
Met grief V komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat het werk niet ter oplevering was aangeboden en zonder voorbehouden is aanvaard. In de toelichting op die grief voert [appellant] echter opnieuw aan dat er nadere afspraken over meerwerk zijn gemaakt. Er is niet uit af te leiden dat er een oplevering heeft plaatsgevonden. Evenmin is er uit af te leiden waarom het oordeel van de rechtbank onjuist is. Het hof onderschrijft mede daarom dat oordeel en maakt dat tot het zijne.
Ingebrekestelling en vertraging (grieven I en VI)
6.16
Met grief I komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vertraging door logistieke problemen als gevolg van de coronapandemie voor rekening en risico van [appellant] komt. Deze grief kan onbesproken blijven. De ontbinding kan namelijk op iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis worden gebaseerd en uit het vonnis van de rechtbank volgt dat de rechtbank niet alleen de niet tijdige uitvoering, maar vooral ook de niet deugdelijke uitvoering van het werk bepalend heeft geacht voor het recht op ontbinding. Voor zover in de grief een beroep op overmacht moet worden gelezen, faalt dat omdat een dergelijk beroep niet aan ontbinding in de weg kan staan.
6.17
Onder grief III voert [appellant] aan dat in de ingebrekestelling “geen vermeende tekortkomingen” zijn opgenomen (par. 24 memorie van grieven). Dat betoog is in zoverre juist dat het niet om vermeende tekortkomingen ging, maar om geconstateerde tekortkomingen. Verder is het betoog onjuist omdat de brief zeventien punten opsomt waarover [geïntimeerde] niet tevreden is. Daarbij zitten voldoende duidelijke klachten over het uitgevoerde werk. Het hof leidt uit hetgeen in par. 30 van de memorie van grieven is opgenomen af dat [appellant] heeft begrepen waarop de klachten van [geïntimeerde] betrekking hadden.
6.18
[appellant] heeft in zijn toelichting op grief I en tijdens de mondelinge behandeling bij het hof nog aangevoerd dat de termijn die hem is gegund om het werk te herstellen, niet redelijk is. Het hof verwerpt ook dat betoog omdat [appellant] geen inzicht heeft gegeven in de vraag hoeveel tijd hij (wel) nodig zou hebben gehad om het werk te herstellen. Zijn stelling in de toelichting op grief I met betrekking tot de vertraagde levering van materialen is niet van een voldoende onderbouwing voorzien, nu uit het overgelegde bericht van de Turkse leverancier onvoldoende blijkt wanneer dit bericht is verzonden en of de order door [appellant] op tijd en met de juiste afmetingen is ingediend. Bovendien had het op de weg van [appellant] gelegen bij ontvangst van de ingebrekestelling om een nadere termijn te vragen als de hem geboden termijn daadwerkelijk te kort was.
6.19
Met grief VI betoogt [appellant] dat de ingebrekestelling van 20 januari 2022 haar werking heeft verloren, omdat partijen daarna nog nadere afspraken hebben gemaakt. Er zou daarom sprake zijn van rechtsverwerking van [geïntimeerde].
6.2
Het hof heeft hiervoor al overwogen dat niet kan worden aangenomen dat tussen partijen nadere afspraken zijn gemaakt die ertoe strekken dat [geïntimeerde] zijn aanspraken op de deugdelijke nakoming van het werk heeft laten varen. Dat [appellant] daarop niettemin heeft mogen vertrouwen kan evenmin worden aangenomen. Aan de voorwaarden waaronder een beroep op rechtsverwerking kan worden aangenomen, is niet voldaan.
6.21
Ook in het kader van grief VI voert [appellant] aan dat dat er geen sprake is van een tekortkoming die de ontbinding rechtvaardigt. Dat betoog gaat voorbij aan de ernst van de (lijst van) gebreken in het SRBA-rapport.
Waarde van het werk (grief VII)
6.22
Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte geconcludeerd dat de waarde van de door [appellant] geleverde prestatie nihil is. Volgens [appellant] dient er een redelijkheidstoets plaats te vinden. Verder moet volgens hem worden uitgegaan van de overeengekomen prijs en dient daarvan de waarde van de materialen te worden afgetrokken en de waarde van de geleverde arbeid. Ook dit betoog gaat voorbij aan het SRBA-rapport, waaruit in feite volgt dat alle geleverde goederen moeten worden vervangen. [appellant] heeft ook niet voldoende gesteld wat volgens hem de waarde zou zijn van de verrichte werkzaamheden, of hoe de geleverde materialen (her)gebruikt zouden kunnen worden en welke waarde daaraan zou moeten worden toegekend.
Grief VIII, veeggrief
6.23
Grief VIII heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft niet verder te worden besproken.
6.24
Het bewijsaanbod van [appellant] heeft niet kenbaar betrekking op feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden en wordt om die reden gepasseerd. Het hof ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen.
Conclusie en proceskosten
6.25
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.26
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 783,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.389,-

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2023;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.389,-;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. J.J. van der Helm, mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en mr. R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.