ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1740

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
27 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 01-00566
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kalsbeek
  • Huisman
  • Van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WAHVArt. 4 WAHVArt. 10:10 AwbArt. 11 lid 3 WAHVArt. 13 WAHV
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen administratieve sanctie verkeersvoorschriften

Betrokkene was in beroep gegaan tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een administratieve sanctie van 60 gulden wegens overtreding van verkeersvoorschriften. De kantonrechter had het beroep ongegrond verklaard en betrokkene stelde dat de kantonrechter onterecht was uitgegaan van ingetrokken regelgeving.

Het gerechtshof overwoog dat het hoger beroep alleen ontvankelijk is indien de sanctie meer bedraagt dan 150 gulden of indien betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid. Aangezien de opgelegde sanctie slechts 60 gulden bedroeg, was het hoger beroep niet ontvankelijk.

Verder oordeelde het hof dat de kantonrechter niet buiten zijn bevoegdheid was getreden en dat de gebruikte modellen van beschikkingen voldeden aan de geldende ministeriële besluiten. Het beroep op ingetrokken regelgeving faalde omdat de inleidende beschikking voldeed aan het model van het latere besluit.

Het hof wees het verzoek tot vergoeding van proceskosten af en verklaarde betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de administratieve sanctie van 60 gulden.

Uitspraak

WAHV 01/00566
27 maart 2002
CJIB 34656250
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Bergen op Zoom
van 5 juli 2001
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [woonplaats]
voor wie als gemachtigde optreedt M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Middelburg ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft de gemachtigde het verzoek gedaan de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV Pro (oud) kan tegen de beslissing van het kantongerecht hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 60,--.
3.2. De betrokkene klaagt erover, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter buiten het toepassingsbereik van art. 13 WAHV Pro is getreden dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken. Daartoe voert de betrokkene aan dat de kantonrechter zijn beslissing uitsluitend heeft gebaseerd op ingetrokken regelgeving, nadat de betrokkene de kantonrechter expliciet heeft gewezen op het intrekkingsbesluit. De betrokkene stelt dat hij op deze grond dient te worden ontvangen in het hoger beroep.
3.3. De beslissing van de kantonrechter houdt in: "Niet in geding is dat de geconstateerde gedraging heeft plaatsgevonden en door een daartoe bevoegde ambtenaar werd vastgesteld. In het stelsel van de WAHV ligt de bevoegdheid tot het opleggen van de administratieve sanctie bij de daartoe aangewezen ambtenaar die de gedraging vaststelde. Niet is gesteld of gebleken dat de betrokken ambtenaar daartoe in dit geval niet bevoegd was. Die beschikking is vervolgens door het CJIB aan betrokkene toegezonden overeenkomstig het daartoe door de minister van justitie bij besluit van 4 mei 1994 (Staatscourant 92) vastgesteld model van beschikking in geval van (o.m.) constatering op kenteken. Het door de betrokkene gedane beroep op het ministeriële besluit van 18 december 1995 Staatscourant 245 strandt reeds omdat dit op modellen van andere beslissingen, aankondigingen en mededelingen ziet."
3.4. Betrokkenes stelling dat het door de kantonrechter in zijn overweging aangehaalde besluit van 4 mei 1994 (Stcrt. 1994, 92) bij besluit van 19 maart 1996 (Stcrt. 1996, 64) is ingetrokken, is juist.
3.5. Nu de inleidende beschikking voldoet aan het model dat is opgenomen in het in de onderhavige zaak van toepassing zijnde besluit "Vaststellingsregeling formulieren administratieve sanctie overtreding verkeersvoorschrift" van 19 maart 1996 (Stcrt. 1996, 64), voorts de inleidende beschikking moet worden beschouwd als de administratieve verwerking van de aankondiging van de beschikking waarvan het model eveneens op de voet van art. 4, eerste lid, WAHV bij ministeriële regeling, te weten het besluit van 1 december 1995 (Stcrt. 1995, 245), is vastgesteld, en tenslotte de aankondiging afkomstig is van een ingevolge art. 3, eerste lid, WAHV aangewezen ambtenaar en derhalve als bestuursorgaan bevoegd genomen, kan de inleidende beschikking niet gelden als een krachtens mandaat genomen besluit als bedoeld in art. 10:10 Awb Pro.
3.6. In voormelde omstandigheden kan niet worden gezegd dat de kantonrechter is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV Pro dan wel dat de kantonrechter zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Voor een doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV is derhalve geen plaats.
3.7. Op grond van het bovenstaande dient de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep. Daaruit vloeit voort dat het verzoek tot vergoeding van proceskosten dient te worden afgewezen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
wijst af het verzoek tot vergoeding proceskosten.
Dit arrest is gewezen door mrs. Kalsbeek, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Vlietstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.