ECLI:NL:GHLEE:2002:AF0689

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
13 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00695
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van de beslissing van de kantonrechter inzake niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen de officier van justitie

In deze zaak heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 13 november 2002 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam, die op 21 mei 2002 het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk had verklaard. De betrokkene, wonende te [woonplaats], had hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. De advocaat-generaal diende een verweerschrift in, maar de betrokkene maakte geen gebruik van de gelegenheid om zijn beroep schriftelijk nader toe te lichten.

Het hof heeft in zijn beoordeling vastgesteld dat de betrokkene niet binnen de termijn van artikel 11, derde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie. De betrokkene voerde aan dat hij de mededelingen van de officier van justitie over de verplichting tot het stellen van zekerheid niet had ontvangen. Het hof oordeelde echter dat, gezien de stukken van het geding, de betrokkene de mededelingen wel degelijk had ontvangen.

Daarnaast stelde de betrokkene dat hij niet in staat was om de oude acceptgiro te gebruiken voor de betaling, omdat sinds 1 januari 2002 bedragen in Euro moesten worden vermeld. Het hof oordeelde dat de betrokkene de zekerheidstelling vóór deze datum had moeten voldoen en dat hij gebruik had kunnen maken van de acceptgiro in guldens. De grief van de betrokkene werd verworpen.

Tot slot voerde de betrokkene aan dat er sprake was van een onredelijke termijn van behandeling, maar het hof oordeelde dat de berechting binnen 24 maanden na de toezending van de inleidende beschikking had plaatsgevonden. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitspraak

WAHV 02/00695
13 november 2002
CJIB 40187044
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam
van 21 mei 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.
3.2. De betrokkene voert aan dat de mededelingen van de officier van justitie omtrent de verplichting tot het stellen van zekerheid van 24 oktober 2001 en 7 november 2001 niet door hem zijn ontvangen. Bij de stukken van het geding bevinden zich afschriften van de door de betrokkene genoemde brieven. Beide brieven zijn gericht aan het door de betrokkene in het beroepschrift aan de kantonrechter vermelde adres, te weten [adres] Gelet hierop en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat deze brieven als onbestelbaar zijn teruggezonden en dat de stukken ook overigens niets behelzen waaruit kan volgen dat die brieven de betrokkene niet hebben bereikt, gaat het hof ervan uit dat de betrokkene de bedoelde mededelingen omtrent zekerheidstelling heeft ontvangen.
3.3. De betrokkene voert verder aan, dat sinds 1 januari 2002 bedragen op acceptgiro's in Euro moeten worden vermeld en dat dus de oude acceptgiro waarmee de zekerheidstelling diende te worden voldaan niet meer kon worden gebruikt. Wel heeft de betrokkene geprobeerd om te betalen met de oude acceptgiro, maar volgens hem is dat niet gelukt. De betrokkene stelt zich dan ook op het standpunt dat het niet stellen van zekerheid hem niet kan worden toegerekend.
3.4. Bij brief van 7 november 2001 is aan de betrokkene medegedeeld dat hij binnen dertig dagen na de dag van verzending van die brief zekerheid diende te stellen. Nu de betrokkene de zekerheidstelling reeds vóór 1 januari 2002 had moeten voldoen, had hij gebruik kunnen maken van de acceptgiro van het CJIB waarop het verschuldigde bedrag in gulden was vermeld. Deze grief treft derhalve geen doel.
3.5. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt, dat de brief van 24 oktober 2001 niet kan worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, omdat deze brief, gelet op hetgeen in de laatste alinea is vermeld, onzekerheid oproept met betrekking tot de noodzaak tot het stellen van zekerheid.
3.6. De laatste alinea van de brief van 24 oktober 2001 houdt het volgende in: "Voordat het beroep wordt doorgezonden aan de Kantonrechter, zal de Officier van Justitie het beroep nogmaals bekijken. Mogelijk ziet hij aanleiding om de eerdere beslissing in te trekken. Dit laatste voorkomt, met uw goedvinden, een gang naar de Kantonrechter. Als de Officier van Justitie niet tot vernietiging besluit wordt het beroep alsnog aan de Kantonrechter voorgelegd. Deze herbeoordeling ontslaat u niet van uw verplichting om zekerheid te stellen.".
3.7. Gelet op de laatste volzin van deze alinea is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat deze brief onzekerheid oproept met betrekking tot de noodzaak van het stellen van zekerheid.
3.8. Tenslotte voert de betrokkene aan, dat sinds het toesturen van de inleidende beschikking aan de betrokkene, te weten 13 maart 2001, en het instellen van hoger beroep 16 maanden zijn verstreken en dat er van een redelijke termijn van behandeling van deze zaak geen sprake meer is.
3.9. Het hof overweegt, dat in deze zaak geen sprake is van onredelijke vertraging in de berechting, nu de berechting heeft plaatsgevonden binnen een termijn van 24 maanden na toezending van de inleidende beschikking.
3.10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.