ECLI:NL:GHLEE:2002:AF0689
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- M. Dijkstra
- A. van Dijk
- J. Weenink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van de beslissing van de kantonrechter inzake niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen de officier van justitie
In deze zaak heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 13 november 2002 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam, die op 21 mei 2002 het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk had verklaard. De betrokkene, wonende te [woonplaats], had hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. De advocaat-generaal diende een verweerschrift in, maar de betrokkene maakte geen gebruik van de gelegenheid om zijn beroep schriftelijk nader toe te lichten.
Het hof heeft in zijn beoordeling vastgesteld dat de betrokkene niet binnen de termijn van artikel 11, derde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie. De betrokkene voerde aan dat hij de mededelingen van de officier van justitie over de verplichting tot het stellen van zekerheid niet had ontvangen. Het hof oordeelde echter dat, gezien de stukken van het geding, de betrokkene de mededelingen wel degelijk had ontvangen.
Daarnaast stelde de betrokkene dat hij niet in staat was om de oude acceptgiro te gebruiken voor de betaling, omdat sinds 1 januari 2002 bedragen in Euro moesten worden vermeld. Het hof oordeelde dat de betrokkene de zekerheidstelling vóór deze datum had moeten voldoen en dat hij gebruik had kunnen maken van de acceptgiro in guldens. De grief van de betrokkene werd verworpen.
Tot slot voerde de betrokkene aan dat er sprake was van een onredelijke termijn van behandeling, maar het hof oordeelde dat de berechting binnen 24 maanden na de toezending van de inleidende beschikking had plaatsgevonden. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep ongegrond.