ECLI:NL:GHLEE:2002:AF0689

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
13 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00695
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
  • Van Dijk
  • Weenink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11, derde lid, WAHV
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-stellen zekerheid WAHV

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie, maar werd door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet binnen de gestelde termijn stellen van zekerheid voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie.

In hoger beroep werd niet betwist dat de betrokkene niet aan deze verplichting had voldaan. De betrokkene voerde aan dat hij de mededelingen over de zekerheidstelling niet had ontvangen en dat de acceptgiro niet meer bruikbaar was vanwege de overgang naar de euro, maar het hof oordeelde dat de brieven wel zijn ontvangen en dat de betrokkene tijdig had kunnen betalen met de oude acceptgiro.

Ook de stelling dat de brief van 24 oktober 2001 onzekerheid zou scheppen over de verplichting tot zekerheidstelling werd verworpen. Tenslotte werd geoordeeld dat er geen sprake was van onredelijke vertraging in de procedure.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet tijdig stellen van zekerheid.

Uitspraak

WAHV 02/00695
13 november 2002
CJIB 40187044
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam
van 21 mei 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.
3.2. De betrokkene voert aan dat de mededelingen van de officier van justitie omtrent de verplichting tot het stellen van zekerheid van 24 oktober 2001 en 7 november 2001 niet door hem zijn ontvangen. Bij de stukken van het geding bevinden zich afschriften van de door de betrokkene genoemde brieven. Beide brieven zijn gericht aan het door de betrokkene in het beroepschrift aan de kantonrechter vermelde adres, te weten [adres] Gelet hierop en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat deze brieven als onbestelbaar zijn teruggezonden en dat de stukken ook overigens niets behelzen waaruit kan volgen dat die brieven de betrokkene niet hebben bereikt, gaat het hof ervan uit dat de betrokkene de bedoelde mededelingen omtrent zekerheidstelling heeft ontvangen.
3.3. De betrokkene voert verder aan, dat sinds 1 januari 2002 bedragen op acceptgiro's in Euro moeten worden vermeld en dat dus de oude acceptgiro waarmee de zekerheidstelling diende te worden voldaan niet meer kon worden gebruikt. Wel heeft de betrokkene geprobeerd om te betalen met de oude acceptgiro, maar volgens hem is dat niet gelukt. De betrokkene stelt zich dan ook op het standpunt dat het niet stellen van zekerheid hem niet kan worden toegerekend.
3.4. Bij brief van 7 november 2001 is aan de betrokkene medegedeeld dat hij binnen dertig dagen na de dag van verzending van die brief zekerheid diende te stellen. Nu de betrokkene de zekerheidstelling reeds vóór 1 januari 2002 had moeten voldoen, had hij gebruik kunnen maken van de acceptgiro van het CJIB waarop het verschuldigde bedrag in gulden was vermeld. Deze grief treft derhalve geen doel.
3.5. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt, dat de brief van 24 oktober 2001 niet kan worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, omdat deze brief, gelet op hetgeen in de laatste alinea is vermeld, onzekerheid oproept met betrekking tot de noodzaak tot het stellen van zekerheid.
3.6. De laatste alinea van de brief van 24 oktober 2001 houdt het volgende in: "Voordat het beroep wordt doorgezonden aan de Kantonrechter, zal de Officier van Justitie het beroep nogmaals bekijken. Mogelijk ziet hij aanleiding om de eerdere beslissing in te trekken. Dit laatste voorkomt, met uw goedvinden, een gang naar de Kantonrechter. Als de Officier van Justitie niet tot vernietiging besluit wordt het beroep alsnog aan de Kantonrechter voorgelegd. Deze herbeoordeling ontslaat u niet van uw verplichting om zekerheid te stellen.".
3.7. Gelet op de laatste volzin van deze alinea is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat deze brief onzekerheid oproept met betrekking tot de noodzaak van het stellen van zekerheid.
3.8. Tenslotte voert de betrokkene aan, dat sinds het toesturen van de inleidende beschikking aan de betrokkene, te weten 13 maart 2001, en het instellen van hoger beroep 16 maanden zijn verstreken en dat er van een redelijke termijn van behandeling van deze zaak geen sprake meer is.
3.9. Het hof overweegt, dat in deze zaak geen sprake is van onredelijke vertraging in de berechting, nu de berechting heeft plaatsgevonden binnen een termijn van 24 maanden na toezending van de inleidende beschikking.
3.10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.