ECLI:NL:GHLEE:2006:AY8950

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
20 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
WAHV 06-00730
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
  • Poelman
  • Weenink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 26a WAHVArt. 11 WAHV
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-stellen zekerheid en griffierecht in WAHV-procedure

Betrokkene was in verzet gegaan tegen een kennisgeving van verhaal uitgevaardigd door de officier van justitie, maar werd door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan de vereiste zekerheidstelling en griffierecht.

In hoger beroep voerde betrokkene aan financieel niet in staat te zijn om de gevraagde zekerheid en griffierecht te voldoen. Het hof verwees naar de vaste jurisprudentie waarin onder omstandigheden een lagere zekerheidstelling mogelijk was op grond van artikel 6 EVRM Pro, maar stelde dat de Hoge Raad in mei 2006 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is op de rechtsgang zoals geregeld in artikel 26a WAHV.

Daarom kan het hof niet meer afwijken van de wettelijke eisen en een lager bedrag vaststellen. Omdat betrokkene geen zekerheid stelde en geen griffierecht betaalde, en niet aannemelijk is dat hij niet in verzuim was, verklaart het hof hem niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet stellen van zekerheid en het niet betalen van griffierecht.

Uitspraak

WAHV 06/00730
20 september 2006
CJIB 72331278
Gerechtshof te Leeuwarden
Beschikking
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 17 januari 2006
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te Amsterdam.
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 27 april 2005 uitgevaardigde kennisgeving van verhaal niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge artikel 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.
1.2. Bij brief van 4 april 2006 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Tevens is de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling griffierecht te betalen. Uit een brief van de griffier van de rechtbank gedateerd 14 juli 2006 aan de griffier van het hof blijkt evenwel dat binnen die termijn geen zekerheid is gesteld en evenmin griffierecht is betaald.
3.3. De betrokkene voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij in vier zaken tegelijkertijd zekerheid moet stellen voor een bedrag van Euro 328,64, dat hij in totaal aan griffierecht een (in debet gesteld) bedrag van Euro 210,- dient te betalen en dat hij financieel niet in staat is om deze bedragen te voldoen.
3.4. Bij arrest van 23 januari 2002 (WAHV 00/00275, LJN AD9175, NJ 2002, 176, VR 2002, 116 nt Si) heeft het hof geoordeeld dat de hoogte van de zekerheidstelling in verzetzaken, evenals de hoogte van de zekerheidstelling voor de betaling van de sanctie (art. 11 WAHV Pro; vgl. HR 29 september 1998, VR 1999,85), onder omstandigheden een ontoelaatbare beperking betekent van het in artikel 6 Verdrag Pro tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Het is sindsdien vaste jurisprudentie van het hof geweest dat indien een betrokkene in hoger beroep binnen de hem voor het stellen van zekerheid van het nog verschuldigde bedrag en al de kosten gegunde termijn, alsmede binnen de termijn voor het betalen van griffierecht, aanvoert niet in staat te zijn de verlangde bedragen te voldoen, er in beginsel aanleiding is te overwegen of de verplichting in volle omvang zekerheid te stellen en griffierecht te betalen tot het volledige verschuldigde bedrag, een zodanige belemmering oplevert. Bij een positieve beantwoording van die vraag zou mogelijk redelijkerwijs geoordeeld moeten worden dat de betrokkene ten aanzien van de genoemde verplichting niet in verzuim is geweest. In die situatie werd de betrokkene door het hof in de gelegenheid gesteld om een lager bedrag aan zekerheidstelling en griffierecht te voldoen.
3.5. De Hoge Raad heeft evenwel bij arrest op het beroep in cassatie in het belang der wet van 23 mei 2006 geoordeeld dat artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is op de in artikel 26a WAHV voorziene rechtsgang (LJN: AU7141, NS 2006, 187, RvdW 2006, 527 en JOL 2006, 322). Die voor het hof bindende beslissing brengt mee dat het hof, anders dan het tot op heden heeft gedaan, niet meer op grond van het in artikel 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, in afwijking van hetgeen de wet voorschrijft, een lager bedrag aan zekerheidstelling en griffierecht kan vaststellen.
3.6. Nu de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld en geen griffierecht heeft betaald en niet kan worden gezegd dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest, dient de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.