ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5531
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Knijp
- Bax-Stegenga
- Kuiper
- Mollema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging pandrecht bank en veroordeling tot betaling wegens inbreuk op pandrecht
In deze civiele procedure stond de vraag centraal of het pandrecht van de bank op bepaalde zaken die appellant van de failliete vennootschap had gekocht, nog bestond en of appellant gehouden was deze zaken af te geven aan de bank. Het hof concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt welke zaken van substantiële waarde hij nog onder zich had en dat hij niet bereid of in staat was deze af te geven.
Het hof stelde daarom de omvang van de door de bank geleden schade vast op basis van de waarde van de zaken zoals vermeld in de koopovereenkomst van 21 mei 2000. Tevens werd overwogen dat het achterhouden en vervreemden van deze zaken door appellant onrechtmatig was jegens de bank.
Verder oordeelde het hof dat de curator en de bank onvoldoende hadden gespecificeerd welke buitengerechtelijke kosten zij hadden gemaakt, zodat een vergoeding daarvan werd afgewezen. Het hof vernietigde eerdere vonnissen voor zover daarin aan de curator een bedrag was toegewezen en veroordeelde appellant tot betaling aan de bank van €20.085,22, vermeerderd met wettelijke rente.
Tot slot werden de kosten van het principaal appel aan appellant opgelegd en het incidenteel appel verworpen waarbij de curator en de bank de kosten moesten dragen.
Uitkomst: Het pandrecht van de bank wordt bevestigd en appellant wordt veroordeeld tot betaling van €20.085,22 plus wettelijke rente wegens inbreuk op het pandrecht.