ECLI:NL:PHR:2008:BF0715
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Koop door werknemer van verpande bedrijfsinventaris en de gevolgen voor pandrecht en verrekening
Deze zaak betreft een geschil over de koop door een werknemer van bedrijfsinventaris die door zijn werkgever aan een bank was verpand. De curator en de bank stelden dat de verrekening van de koopprijs met het saldo van geldleningen een onverplichte rechtshandeling was die schuldeisers benadeelde, en dat het pandrecht van de bank op de verkochte zaken bleef rusten. De rechtbank oordeelde dat de verrekening een onverplichte rechtshandeling was en vernietigde deze gedeeltelijk, terwijl het hof dat oordeel vernietigde en stelde dat verrekening op grond van overeenkomst plaatsvond en dat partiële vernietiging van de koopovereenkomst niet mogelijk was.
Het hof oordeelde verder dat de koper niet te goeder trouw was ten aanzien van het pandrecht, gelet op zijn positie binnen het bedrijf en het ontbreken van onderzoek naar het pandrecht. Hierdoor bleef het pandrecht van de bank op de zaken rusten. De koper had onvoldoende gespecificeerd welke zaken hij nog in bezit had en welke waarde deze vertegenwoordigen, waardoor het hof aannam dat hij niet bereid of in staat was zaken van substantiële waarde aan de bank af te geven.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verrekening niet als onverplichte rechtshandeling kan worden aangemerkt en dat de koper niet aan zijn stelplicht had voldaan om te bewijzen dat hij te goeder trouw was omtrent het pandrecht. Ook werd het beroep op opschorting en verrekening afgewezen. De bank kan het pandrecht blijven uitoefenen en de schade wordt vastgesteld op de waarde van de zaken zoals in de koopovereenkomst vermeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de koper was niet te goeder trouw en het pandrecht van de bank blijft bestaan.