ECLI:NL:GHLEE:2008:BD2146
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- P.F. Goes
- J. den Boer
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2004 en heffingsrente
Belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van een vennootschap, verkocht in 2004 zijn aandelen en diende medio juli 2004 via zijn belastingadviseur een schatting van zijn belastbare inkomens in bij de Belastingdienst middels een zogenoemde so-disk. Hoewel deze gegevens op 23 augustus 2004 in de systemen van de Belastingdienst waren verwerkt, werd geen voorlopige aanslag opgelegd. Pas op 3 februari 2006 werd een voorlopige aanslag IB 2004 opgelegd, inclusief heffingsrente.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar het Hof oordeelt anders. Het Hof stelt vast dat het niet opleggen van een voorlopige aanslag in 2004 het gevolg was van een falen van het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst. Dit leidde tot nadelige fiscale gevolgen voor belanghebbende, omdat hij de belastingschuld niet kon verrekenen bij de rendementsgrondslag in box 3.
Het Hof acht de inspecteur gehouden om de voorlopige aanslag te verminderen door de rendementsgrondslag te verlagen met de materiële IB-schuld zoals blijkt uit de so-disk, conform het zorgvuldigheidsbeginsel. De beschikking heffingsrente dient dienovereenkomstig te worden verminderd. Het beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2004 wordt verminderd en de heffingsrente dienovereenkomstig verlaagd vanwege falen van het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst.