ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ6301
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Mollema
- Kuiper
- De Hek
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ondernemerschap en aansprakelijkheid bij overgang concessie openbaar vervoer
In deze civiele zaak stond centraal de vraag of Arriva Personenvervoer Nederland B.V. als ondernemer in de zin van artikel 22 van Pro de Wet op de ondernemingsraden (WOR) kon worden beschouwd na de overgang van een concessie in het openbaar vervoer. De appellant voerde aan dat Arriva verantwoordelijk was voor de betaling van declaraties en kosten die verband hielden met de ondernemingsraad van de vorige concessiehouder.
De rechtbank Leeuwarden had eerder geoordeeld dat Arriva niet als ondernemer kon worden aangemerkt omdat de materiële activa, waaronder de bussen, niet waren overgegaan en de ondernemingsraad van de vorige concessiehouder feitelijk was opgehouden te bestaan. Het hof onderschreef deze beoordeling en wees daarbij op relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de toepasselijkheid van de artikelen 7:662-7:666 BW.
De appellant stelde verder dat op grond van het goed werkgeverschap en de redelijkheid en billijkheid (artikelen 7:611 en 3:12 BW) Arriva toch gehouden zou zijn tot betaling, maar het hof verwierp dit standpunt omdat er geen rechtsverhouding tussen Arriva en de betreffende ondernemingsraad bestond. De grieven van appellant werden ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd, waarbij appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van appellant af, waarbij appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.