ECLI:NL:GHLEE:2009:BK5882
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- D.V.E.M. van der Wiel - Rammeloo
- G.M. van der Meer
- J.W. Zwemmer
- Rechtspraak.nl
Waarde van vordering op beleggingspiramide voor inkomstenbelasting 2004-2005
Belanghebbende had een vordering van € 50.000 op D, die een beleggingspiramide dreef en vanaf 2003 geen daadwerkelijke beleggingen meer deed. De vraag was welke waarde deze vordering op 31 december 2004 en 1 januari 2005 had voor de inkomstenbelasting.
De inspecteur stelde dat de waarde gelijk was aan de nominale waarde, omdat betalingsproblemen pas na de peildata bekend werden. Belanghebbende betoogde dat latere feiten, waaronder de strafrechtelijke veroordeling van D, licht werpen op de toestand op de peildata en dat de waarde daardoor lager moest zijn.
Het hof oordeelde dat de waardering moet geschieden naar de werkelijke toestand op de peildata, waarbij ook latere feiten die daarop licht werpen in aanmerking worden genomen. Gezien de feiten en onderzoeken was duidelijk dat D vanaf begin 2003 de gelden niet belegde maar een piramideconstructie hanteerde.
Het hof stelde de waarde van de vordering vast op 50% van de nominale waarde, oftewel € 25.000, en paste de belastingaanslagen dienovereenkomstig aan. Het beroep van de inspecteur werd daarmee deels gegrond verklaard. Er werd geen griffierecht geheven en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De waarde van de vordering op D werd vastgesteld op 50% van de nominale waarde, met aanpassing van de belastingaanslagen tot gevolg.