ECLI:NL:GHLEE:2010:BM8759
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- G.M. van der Meer
- K. de Jong-Braaksma
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aftrekbaarheid kosten borstimplantaten als ziektekosten
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de weigering van de inspecteur om de kosten van borstimplantaten voor haar dochter als ziektekosten in aftrek te brengen volgens artikel 6.17 Wet IB 2001. De rechtbank wees het beroep af, en belanghebbende ging in hoger beroep.
Het geschil draait om de vraag of de uitgaven voor de borstimplantaten kunnen worden aangemerkt als ziektekosten en of deze implantaten als hulpmiddel kwalificeren. Belanghebbende stelde dat haar dochter psychisch leed door een aangeboren borstafwijking en dat de implantaten daarom als hulpmiddel en ziektekosten moesten worden gezien.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor het vereiste causaal verband tussen ziekte en de kosten. De medische stukken en verklaringen waren onvoldoende om het psychisch lijden en de medische noodzaak aannemelijk te maken. Daarom zijn de kosten niet aftrekbaar als ziektekosten.
Het hof hoefde niet te beoordelen of de implantaten als hulpmiddel konden worden aangemerkt, omdat de aftrekbaarheid als ziektekosten reeds faalde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de kosten van borstimplantaten zijn niet aftrekbaar als ziektekosten.