ECLI:NL:GHLEE:2010:BO2015

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
27 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
0581-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 577b SvArt. 36e Sr
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vermindering of kwijtschelding ontnemingsmaatregel wegens onvoldoende aannemelijkheid financiële onmacht

Verzoeker heeft bij het Gerechtshof Leeuwarden een verzoek ingediend tot vermindering of kwijtschelding van een eerder opgelegde ontnemingsmaatregel van €42.706, gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het verzoek betrof zowel de hoogte van het resterende bedrag als de vraag in hoeverre aan de betalingsverplichting was voldaan.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering slechts kan worden verzocht om vermindering of kwijtschelding van het bij oplegging vastgestelde bedrag, niet om herberekening van dat bedrag. Daarom liet het hof het verzoek met betrekking tot de hoogte van het bedrag buiten beschouwing.

Ten aanzien van het verzoek om vermindering of kwijtschelding vanwege de huidige financiële positie van verzoeker, overwoog het hof dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet (meer) in staat is om te voldoen aan de betalingsverplichting, ook niet in de toekomst. Daarbij werd meegewogen dat de ontnemingsmaatregel een lange verjaringstermijn kent.

Op grond van deze overwegingen wees het hof het verzoek af tijdens de openbare raadkamer van 13 oktober 2010.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vermindering of kwijtschelding van de ontnemingsmaatregel af wegens onvoldoende aannemelijkheid van betalingsonmacht.

Uitspraak

Raadkamernummer 0581-10
Parketnummer: 24-000017-07
GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Beschikking d.d. 27 oktober 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige raadkamer, op het verzoek ex artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van:
[verzoeker],
geboren op [1964] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon en bijgestaan door zijn advocaat mr. C. Niens, advocaat te Joure.
De inhoud van het verzoek
Bij verzoekschrift d.d. 21 juli 2010, vraagt verzoeker het bedrag van de hem bij arrest van dit hof d.d. 31 mei 2007 opgelegde maatregel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, te weten - na cassatie door de Hoge Raad - betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 42.706, kwijt te schelden dan wel te verminderen.
De ontvankelijkheid van het verzoek
Het verzoek is op de voorgeschreven wijze en tijdig ingediend.
De behandeling in raadkamer
De zaak is behandeld ter openbare raadkamer van 13 oktober 2010. Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal, de verzoeker en zijn advocaat.
Voorts heeft het hof kennis genomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift en de op de strafzaak betrekking hebbende stukken.
De beoordeling van het verzoek
Enerzijds houdt het verzoek in dat de hoogte van het resterende bedrag van de opgelegde maatregel niet juist is berekend door zowel het CJIB als door de advocaat-generaal en dat het bedrag in zoverre dient te worden aangepast. Enkele bedragen en rente zouden niet zijn meegerekend en de waarde van de verkochte auto's zou te laag zijn vastgesteld.
Het hof overweegt hierover dat de juistheid van vorenbedoelde berekeningen in het kader van dit verzoek niet aan het oordeel van het hof kan worden onderworpen. Op grond van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan slechts aan de rechter worden verzocht om het bij de oplegging van de maatregel vastgestelde bedrag te verminderen of kwijt te schelden. De inhoud van het verzoek regardeert niet de hoogte van het vastgestelde bedrag, maar de vraag in hoeverre aan de verplichting om het vastgestelde bedrag te betalen, is voldaan. Om die reden zal het hof het verzoek in zoverre buiten bespreking laten.
Anderzijds houdt het verzoek in dat het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden verminderd of kwijtgescholden op grond van de huidige financi?le positie van verzoeker.
Blijkens de wetsgeschiedenis behorende bij de wijziging van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering (kamerstukken II, 2001/02, 28079, nr. 3, p. 16-17) heeft voor de beoordeling van een verzoek tot vermindering of kwijtschelding te gelden dat verzoeker aannemelijk dient te maken dat hij niet (meer) in staat is de aan hem opgelegde verplichting tot betaling aan de staat te voldoen en ook in de toekomst daaraan niet zal kunnen voldoen.
In aanmerking genomen de inhoud van het verzoekschrift en het verhandelde in raadkamer acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoeker in de toekomst over onvoldoende verdiencapaciteit beschikt teneinde het bij voormeld arrest ter betaling aan de Staat vastgestelde geldbedrag te voldoen. Het hof neemt daarbij eveneens in aanmerking dat de opgelegde ontnemingsmaatregel een lange verjaringstermijn kent.
Gelet op het vorenstaande zal het hof het verzoek afwijzen.
De beslissing
Het hof:
wijst het verzoek af.
Aldus gegeven door mr. W.M. van Schuijlenburg als voorzitter, mrs. A.J. Rietveld en H.J. de Ruijter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kuiper als griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier voornoemd.