ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5264
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake griffierechtbetaling en ontslag van instantie
In deze civiele procedure in hoger beroep staat de betaling van het griffierecht centraal. Appellante betwistte de opeisbaarheid van het griffierecht met het argument dat zij geen juiste factuur had ontvangen. Het hof stelt echter vast dat op grond van artikel 3, derde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken het griffierecht verschuldigd is vanaf de eerste uitroeping ter terechtzitting. Dit is zichtbaar in het roljournaal, waarin ook het te betalen bedrag vermeld staat.
Het hof benadrukt dat de procesvertegenwoordiger zelf verantwoordelijk is voor een juiste en tijdige betaling van het griffierecht. Tevens is in het griffiedossier een kopie van een correct geadresseerde nota aanwezig. Omdat appellante niet tijdig het griffierecht heeft voldaan, is het hof voornemens geïntimeerde van deze instantie te ontslaan en appellante te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
Het hof zal echter niet overgaan tot ontslag van instantie en kostenveroordeling indien geïntimeerde uiterlijk op de roldatum incidenteel appel instelt, waarbij appellante tijdig wordt opgeroepen. De uitspraak is gedaan door het hof in aanwezigheid van de griffier op 3 mei 2011.
Uitkomst: Het hof wijst het verweer af en veroordeelt appellante in de proceskosten wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.