ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ6055

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
26 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.035.161/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 339 lid 1 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding beroepstermijn leidt tot niet-ontvankelijkheid in civiel hoger beroep

In deze civiele zaak heeft het gerechtshof Leeuwarden op 26 april 2011 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van beide partijen. Het vonnis waarvan beroep betrof een tussenvonnis van 14 januari 2009, waartegen tussentijds beroep was toegelaten bij beslissing van 25 maart 2009. De beroepstermijn bedraagt drie maanden vanaf de uitspraak van het vonnis.

Beide partijen hadden het hoger beroep ingesteld na het verstrijken van deze termijn en verzochten het hof hen toch in hun principaal en incidenteel beroep te ontvangen. Het hof oordeelde echter dat de regeling van de beroepstermijn van openbare orde is, hetgeen betekent dat het hof ambtshalve de termijn moet bewaken en niet kan afwijken van de termijn op verzoek van partijen.

Het hof stelde vast dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering rechtvaardigen en dat het verlof voor tussentijds beroep binnen de beroepstermijn was verleend, zodat er geen beletsel was om tijdig beroep in te stellen. Daarom werden beide partijen niet-ontvankelijk verklaard. Het hof besloot tot compensatie van de proceskosten, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Beide partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN
Arrest van de meervoudige burgerlijke kamer in de zaak van:
[appellante],
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante in het principaal beroep, geïntimeerde in het incidenteel beroep, hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. W.E.M. Klostermann, te Zwolle,
t e g e n
de gemeente Oostellingwerf,
met zetel te Oosterwolde,
geïntimeerde in het principaal beroep, appellante in het incidenteel beroep,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. W.H.C. Bulthuis, te Leeuwarden.
1. Het geding in hoger beroep
Op 28 december 2010 is in deze zaak een tussenarrest uitgesproken.
Vervolgens hebben partijen afgezien van pleidooi en elk gelijktijdig een akte genomen.
Partijen hebben afgezien van antwoordakte.
Daarna is opnieuw arrest gevraagd.
2. Ontvankelijkheid
2.1 Het vonnis waarvan beroep van 14 januari 2009 is een tussenvonnis. Bij beslissing van
25 maart 2009 heeft de rechtbank alsnog tussentijds beroep tegen dat tussenvonnis toegelaten. Ingevolge artikel 339 lid 1 Rv Pro is de termijn van beroep drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis. De omstandigheid dat de rechtbank eerst bij latere beslissing tussentijds beroep heeft toegelaten, maakt dat niet anders (vergelijk HR 23 januari 2004, LJN AL7051; HR 17 december 2010, LJN AR3170). Het beroep tegen het tussenvonnis is ingesteld bij exploot van 10 juni 2009, dus niet binnen de beroepstermijn.
2.2 Beide partijen hebben bepleit dat het hof hen toch in het principaal en incidenteel beroep zal ontvangen. Daartoe is, naast proceseconomische redenen, onder meer aangevoerd dat het niet van partijen kan worden gevraagd beroep in te stellen zolang dat niet is toegestaan en dat zij gezamenlijk wensen dat het hof de zaak inhoudelijk zal behandelen, zodat geen belang bestaat bij niet-ontvankelijkverklaring.
2.3 De regeling van de beroepstermijn is van openbare orde. Het hof heeft de naleving van de termijn ambtshalve te bewaken. Het staat het hof daarom niet vrij op verzoek van partijen daarvan af te wijken. De regeling belemmert ook niet de toegang tot de rechter. De regeling reguleert slechts die toegang in het belang van de rechtszekerheid en partijen hebben met de toepassing daarvan rekening kunnen houden door tijdig beroep in te stellen, in afwachting van de beslissing van de rechtbank over het toelaten van tussentijds beroep. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat in dit geval anders moet worden geoordeeld, zijn niet naar voren gebracht of aannemelijk geworden. Daar komt nog bij dat het verlof voor tussentijds beroep in dit geval is gegeven ruim binnen de beroepstermijn, zodat er ook om die reden geen beletsel was tijdig beroep in te stellen.
2.4 De conclusie is dat partijen niet in hun principaal en incidenteel beroep kunnen worden ontvangen.
2.5 Het hof ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding voor compensatie van de proceskosten.
3. Beslissing
Het hof:
3.1 verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het principaal beroep;
3.2 verklaart de gemeente niet-ontvankelijk in het incidenteel beroep;
3.3 compenseert de kosten in het principaal en incidenteel beroep in die zin dat partijen hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, W.J. van den Bergh en G.C.C. Lewin en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 26 april 2011.