De verdere beoordeling
De feiten
1. Door [de curator] is niet gegriefd tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten in het beroepen vonnis onder 2.1 tot en met 2.5. Deze feiten komen, tezamen met wat in hoger beroep tussen partijen vast staat, op het volgende neer.
1.1 [appellant] is geboren op 6 november 1992.
1.2 De kinderrechter te Assen heeft op 11 december 2008 een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [appellant] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg tot 8 januari 2009.
1.3 De kinderrechter heeft [appellant], bijgestaan door zijn advocaat mr. Doornbos, zijn pleegouders en Jeugdzorg ter zitting van 24 december 2008 gehoord over de machtiging tot uithuisplaatsing. Daarbij heeft de kinderrechter aan de orde gesteld wat er na 8 januari 2009 zou gebeuren. Jeugdzorg heeft desgevraagd geantwoord dat zij reeds een verzoekschrift had opgesteld voor een machtiging voor de periode na die datum, maar dat dit nog niet was ingediend. Vervolgens heeft de kinderrechter aan [appellant]s advocaat gevraagd of hij er bezwaar tegen had dat Jeugdzorg ter zitting verlenging zou aanvragen. De advocaat heeft blijkens het proces-verbaaI geantwoord eerst nog wat meer informatie te willen.
Aan het slot van de zitting heeft de kinderrechter aangegeven dat de bekrachtiging van de spoedmachtiging van 11 december 2008 gecombineerd zou worden met een verlenging van die machtiging tot 8 maart 2009, hetgeen bij beschikking van 31 december 2009 is gebeurd.
1.4 Namens [appellant] is beroep aangetekend tegen de machtiging tot verlenging. Bij arrest van 19 februari 2009 heeft het hof deze machtiging vernietigd, omdat het nieuwe verzoek met een verzoekschrift had moeten worden ingeleid. Uit het proces-verbaal van de zitting van 24 december 2008 blijkt niet dat de advocaat van [appellant] uitdrukkelijk ontkennend heeft geantwoord op de vraag van de kinderrechter of er bezwaar bestond tegen een ter zitting gedaan verlengingsverzoek. Volgens het hof was dit ter zitting gedane mondelinge verzoek, ook al was dat gedaan op suggestie van de kinderrechter, in strijd met de fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat Jeugdzorg in dat verzoek (alsnog) niet ontvankelijk diende te worden verklaard.
1.5 Bij brief/fax van vrijdag 21 (het hof begrijpt: 20) februari 2009 heeft de advocaat van [appellant] aan Jeugdzorg bericht:
"Naar ik aanneem heeft u inmiddels kennisgenomen van de beschikking van 19 februari jl. van het gerechtshof te Leeuwarden.
Nu het hof de verlenging/het verlenen van de machtiging tot 8 maart a.s. heeft vernietigd, mag Norman vanaf maandag 23 februari 2009 niet meer gedwongen worden vastgehouden in Vugt. Hij hoeft daar alleen te verblijven wanneer hij dat vrijwillig doet.
Wordt hij toch tegen zijn zin daar vastgehouden, dan is er sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving."