ECLI:NL:GHLEE:2011:BT7472
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens kwade trouw bij foutieve codering reparatiekosten jacht
Belanghebbende, enig aandeelhouder en directeur van C B.V., had in 2004 reparatiekosten van zijn privéjacht laten boeken als zakelijke uitgaven onder 'onderhanden werk' bij D B.V., een dochtervennootschap van C. De Inspecteur stelde na een boekenonderzoek en een strafrechtelijk FIOD/ECD-onderzoek vast dat deze codering onjuist was en legde een navorderingsaanslag IB/PVV 2004 op.
Belanghebbende voerde aan dat de Inspecteur niet bevoegd was tot navordering omdat het feit al bekend was en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden. Het hof oordeelde dat belanghebbende te kwader trouw was omdat hij bewust foutieve coderingen aanbracht en deze niet uit eigen beweging corrigeerde. Dit maakte navordering gerechtvaardigd.
Verder oordeelde het hof dat de reparatiekosten als een winstuitdeling aan belanghebbende moesten worden beschouwd en dat het later verrekenen van deze kosten in de rekening-courant hieraan niets afdeed. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat kwade trouw aan de zijde van belanghebbende dit uitsloot.
Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2004 wegens kwade trouw van belanghebbende bij foutieve codering van reparatiekosten van zijn privéjacht.