Vaststaande feiten
1. Tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter in rechtsoverweging 1 tot en met 6 van het vonnis zijn geen grieven gericht, zodat ook in hoger beroep van deze feiten kan worden uitgegaan. Met wat verder vaststaat, gaat het hof uit van de volgende feiten.
1.1. [geïntimeerde], die in 1959 is geboren, is sinds 1 september 2005 bij LPF in dienst in de functie van Manager Operations tegen een salaris van laatstelijk € 6.596,56 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en andere emolumenten.
1.2. Uit hoofde van zijn functie maakte [geïntimeerde] deel uit van het managementteam (MT) van LPF. Naast [geïntimeerde] maakten ook de directeur [de directeur], de controller
[de controller] en het hoofd technocentrum [hoofd technocentrum] deel uit van het MT. Het hoofd P&O [hoofd P&O] was aan het MT toegevoegd.
1.3. Op 4 februari 2009 heeft [de directeur] in een gesprek met [geïntimeerde] meegedeeld dat er binnen het MT geen vertrouwen meer in zijn functioneren bestaat en dat de arbeidsovereenkomst met hem om die reden dient te eindigen. Aan [geïntimeerde] zijn bij gelegenheid van het gesprek met [de directeur] twee - in concept vaststellings- overeenkomsten vastgelegde - voorstellen gedaan ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Eén voorstel kwam neer op een beëindiging per 1 april 2008 onder toekenning van een vergoeding van € 40.000,00 bruto. Het andere voorstel behelsde beëindiging van het dienstverband per 1 juni 2009 zonder vergoeding.
1.4. [geïntimeerde] heeft na de hem verleende bedenktijd van een week te kennen gegeven dat hij met geen van de voorstellen kon instemmen. Hij is vervolgens met vakantie gegaan. Direct na terugkeer van vakantie, op 23 februari 2009, is [geïntimeerde] met onmiddellijke ingang op non actief gesteld. LPF heeft die dag een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter te Zwolle.
1.5. In een brief van de raadsman van LPF aan [geïntimeerde] d.d. 23 februari 2009 is onder meer het volgende geschreven:
“De heer [de directeur], Algemeen Directeur van cliënte, heeft u hedenochtend reeds laten weten dat u met ingang van vandaag tot het moment van beëindiging van het dienstverband wordt vrijgesteld van uw verplichting om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. Deze vrijstelling van werk moet worden gezien als een ordemaatregel om ongewenste situaties op de werkvloer te voorkomen. Gezien uw positie en de inhoud van het ontbindingsverzoek kan van u niet worden verwacht dat u ook na vandaag nog gemotiveerd uw werkzaamheden verricht. “
1.6. [geïntimeerde] heeft LPF in kort geding gedagvaard en gevorderd dat de door hem als schorsing aangeduide maatregel ongedaan wordt gemaakt en dat hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn werkzaamheden te hervatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De kantonrechter heeft deze vordering in het vonnis van 27 maart 2009 (het bestreden vonnis) toegewezen. LPF heeft niet aan deze veroordeling voldaan.
1.7. De kantonrechter te Zwolle heeft bij beschikking van 16 april 2009 de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 16 april 2009, onder toekenning aan [geïntimeerde] van een vergoeding van € 40.000,00 bruto.
1.8. De voorzieningenrechter te Groningen heeft de vordering van LPF om [geïntimeerde] te verbieden het vonnis van 27 maart 2009 ten uitvoer te leggen bij vonnis van 17 april 2009 afgewezen.