ECLI:NL:GHLEE:2012:BV3459

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
31 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.092.384/01
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:269 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ontzetting gezag moeder over minderjarig kind na vertrek naar België

De vader verzocht de rechtbank Groningen om de moeder te ontzetten van het gezag over hun minderjarige kind, nadat de moeder met het kind zonder overleg naar België was vertrokken. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de vader hoger beroep instelde bij het gerechtshof Leeuwarden.

Het hof nam de feiten over zoals vastgesteld door de rechtbank en benadrukte dat ontzetting van het gezag alleen mogelijk is als dit noodzakelijk is in het belang van het kind. Aangezien de moeder en het kind in België verbleven en Bureau Jeugdzorg geen zicht meer had op de opvoedingssituatie, was een machtiging tot uithuisplaatsing verleend en was een teruggeleidingsprocedure gestart.

Het hof oordeelde dat het thans uitspreken van ontzetting van het gezag het risico met zich meebrengt dat de patstelling tussen de ouders niet kan worden doorbroken. De cross-bordermediation en teruggeleidingsprocedure bieden mogelijkheden om het contact en de opvoedingssituatie te verbeteren zonder ontzetting. Daarom werd het verzoek van de vader afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het verzoek van de vader om de moeder te ontzetten van het gezag over het kind wordt afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

Uitspraak

Beschikking d.d. 31 januari 2012
Zaaknummer 200.092.384
HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN
Beschikking in de zaak van
[de vader],
wonende te [woonplaats vader],
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.A. Knobben, kantoorhoudende te Deventer,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats moeder],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. W.Chr. de Roos, kantoorhoudende te Groningen,
Belanghebbende:
Bureau Jeugdzorg Groningen,
gevestigd te Groningen,
hierna te noemen: BJZ.
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 26 juli 2011 heeft de rechtbank Groningen het verzoek van de vader om de moeder te ontzetten van het gezag over de minderjarige [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats], afgewezen.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 17 augustus 2011, heeft de vader verzocht de beschikking van 26 juli 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de vader toe te wijzen.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 28 september 2011, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en eventueel onder verbetering van de gronden, de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 22 augustus 2011 met bijlagen van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), een brief van 19 september 2011 met bijlage (het proces-verbaal) van mr. Knobben, een brief van 28 september 2011 van BJZ, een fax van 13 oktober 2011 van mr. Knobben, een brief van 25 november 2011 met bijlagen van BJZ en een fax van 16 december 2011 van mr. Knobben.
Ter zitting van 21 december 2011 is de zaak behandeld (gelijktijdig met zaaknummer 200.095.274). Verschenen zijn de vader, bijgestaan door mr. Knobben en mr. De Roos, en mevrouw Mulder namens BJZ. Mr. Knobben heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie.
De beoordeling
Vaststaande feiten
1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten, zoals neergelegd in de bestreden beschikking van de rechtbank, is geen grief ontwikkeld zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.
2. Na deze beschikking is nog komen vast te staan dat de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend. Het is echter niet gelukt om [kind 1] in een pleeggezin te plaatsen doordat de moeder zonder overleg met [kind 1] is vertrokken en in België verblijft.
3. BJZ heeft hierdoor geen zicht meer op de opvoedingssituatie van [kind 1]. Er is een teruggeleidingsprocedure opgestart op verzoek van BJZ.
De overwegingen
4. De vader heeft ter zitting aangegeven dat de ontzetting uit het gezag noodzakelijk is om zo snel mogelijk weer zicht te krijgen op [kind 1] en om een omgangsregeling tussen hem en [kind 1] tot stand te brengen.
5. BJZ ondersteunt het verzoek van de vader niet en is van mening dat door middel van de teruggeleidingsprocedure getracht moet worden weer zicht te krijgen op de opvoedingssituatie van [kind 1]. BJZ heeft daarbij aangegeven dat in het kader van de zogenaamde cross-bordermediation zoals bij deze procedures gebruikelijk is getracht kan worden met de moeder afspraken te maken om met [kind 1] terug te keren naar Nederland. Daarbij zou de inzet van een hulpverleningstraject met plaatsing van de moeder samen met [kind 1] in een instelling voor observatie en hulp een mogelijk bespreekpunt zijn.
6. Ingevolge artikel 1:269 BW Pro eerste lid, kan op de daar genoemde gronden een ouder van het gezag over een kind worden ontzet wanneer dit in het belang van het kind noodzakelijk is. Het hof neemt bij de beoordeling of de maatregel in het belang van het kind noodzakelijk is, als uitgangspunt dat bij toepassing van een maatregel van kinderbescherming er sprake moet zijn van proportionaliteit.
7. Nu bij gelijktijdige beschikking van dit hof in zaaknummer 200.095.274 de door de rechtbank uitgesproken maatregel van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] wordt bekrachtigd, dient gelet op voornoemd uitgangspunt eerst via deze maatregel getracht te worden [kind 1] weer in Nederland te krijgen, zicht te krijgen op haar opvoedingssituatie, de bedreiging in haar ontwikkeling op te heffen en het contact tussen [kind 1] en haar vader te herstellen.
8. Daarnaast is de moeder met [kind 1] naar België vertrokken en blijft zij daar 'ondergedoken' uit vrees dat bij terugkeer [kind 1] bij haar wordt weggehaald. De teruggeleidingsprocedure is inmiddels opgestart en de gebruikelijke cross-bordermediation zou mogelijk als resultaat kunnen hebben dat de moeder met [kind 1] terugkeert. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en de wijze van uitvoering hiervan zou bij deze mediation betrokken kunnen worden. Het hof ziet in het thans uitspreken van de maatregel van ontzetting van het gezag van de moeder een risico dat de huidige patstelling niet kan worden doorbroken. Dit is niet in het belang van [kind 1].
Slotsom
9. Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de vader afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, R. Feunekes en I.A. Vermeulen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 31 januari 2012 in bijzijn van de griffier.