Vaststaande feiten
2. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in het vonnis van 20 april 2011. In appel kan dan ook van deze feiten worden uitgegaan. Deze feiten komen, met wat verder over de feiten is komen vast te staan, samengevat en voor wat betreft de procedure in appel van belang op het volgende neerkomen.
2.1. [appellant] en [geïntimeerde] zijn broers. [appellant] heeft een belastingadviesbureau. [geïntimeerde] is medisch specialist.
2.2. [appellant] heeft gedurende enkele jaren de belastingaangiften van [geïntimeerde] verzorgd. In december 2006 heeft hij [geïntimeerde] voor het verzorgen van (concept)aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2002 tot en met 2005 een bedrag van € 2.000,- ex BTW in rekening gebracht.
2.3. In een brief van 2 februari 2007 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven:
“Hierbij doe ik u een concept aangiftebiljet met toelichting en berekening toekomen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2005.
Graag verneem ik of u hiermee akkoord bent en zo ja wanneer u indiening wenst.
Op basis van deze concept-aangifte kunt u de volgende aanslag verwachten
Inkomstenbelasting en premieheffing 2005
(…)
Verschuldigd na verrekening van voorheffingen € 53.737”.
2.4. [geïntimeerde] heeft op 31 mei 2007 een aanmaning van de Belastingdienst ontvangen tot het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2005 (hierna: ib 2005). In de aanmaning is onder meer het volgende vermeld:
“De aangifte heb ik nog niet ontvangen. U krijgt de gelegenheid alsnog aangifte te doen binnen tien werkdagen na dagtekening van deze brief. De boete voor het te laat doen van de aangifte kan meer dan € 1.000 bedragen."
2.5. [geïntimeerde] heeft niet op deze aanmaning gereageerd en er [appellant] ook niet van in kennis gesteld.
2.6. [geïntimeerde] heeft in september 2007 een voorlopige aanslag ib 2005 ontvangen tot een bedrag van € 109.350,-.
2.7. Nadat de Belastingdienst op 19 december 2007 een aanmaning tot betaling had gezonden aan [geïntimeerde] en betaling uitbleef, heeft de Belastingdienst op 15 januari 2008 een dwangbevel naar hem verzonden, waarin aanspraak wordt gemaakt op bedragen van € 117.419,- (het bedrag van de voorlopige aanslag), € 13,- (kosten van vervolging) en € 7.859,- (kosten van betekening van het dwangbevel). Op
29 januari 2008 is een “hernieuwd bevel tot betaling” door de belastingdeurwaarder aan [geïntimeerde] betekend.
2.8. De Belastingdienst heeft [geïntimeerde] op 25 april 2008 een definitieve aanslag ib 2005 opgelegd. In de aanslag is onder meer het volgende vermeld:
“U heeft over 2005 geen aangifte ingediend. De Belastingdienst heeft uw belastbare inkomen(s) geschat.
Berekening van het te betalen bedrag
Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen € 125 377
Eerdere (voorlopige) aanslagen € 109 350
Verzuimboete € 340
In rekening gebrachte heffingsrente € 1 704
Te betalen € 18 068”
2.9. Namens [geïntimeerde] is bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag. Het bezwaar heeft geresulteerd in een vermindering van de aanslag met € 62.011,- (en
€ 1.932,- aan heffingsrente).