De procedure in eerste aanleg en de aanduiding van de grieven
2. Koevoet heeft, op grond van huurachterstand en het niet verrichten van zelfwerkzaamheid, ontruiming van het gehuurde gevorderd, alsmede betaling van de huurachterstand. In reconventie heeft [appellant] de gedeeltelijke ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd betreffende die maanden waarin hij in het geheel geen huur heeft betaald. De kantonrechter heeft aangaande de tussen partijen gerezen geschilpunten als volgt beslist.
2.1. Aangaande het voornaamste geschilpunt, de hoogte van de maandelijks verschuldigde huur plus verdere componenten, heeft Koevoet gesteld dat de huur jaarlijks is verhoogd, terwijl [appellant] zich op het standpunt stelde dat de huurverhogingen niet rechtsgeldig zijn doorgevoerd. Volgens hem bedroeg de totale huur van het gehuurde, inclusief servicekosten en inclusief de huur van de berging € 186,05 per maand. De kantonrechter heeft [appellant] deels gelijk gegeven en geoordeeld dat Koevoet de huurverhogingen niet lege artis heeft doorgevoerd. De kantonrechter is uitgegaan van de uitspraak van de huurcommissie van 5 januari 2006 waarbij de verhoging van de kale huur met ingang van 1 augustus 2005 tot een bedrag van € 146,50 als redelijk is beoordeeld.
2.2. Ten aanzien van de servicekosten heeft de kantonrechter eveneens geoordeeld dat Koevoet deze op onjuiste wijze heeft verhoogd en heeft gespecificeerd. De kantonrechter heeft aangesloten bij de brief van Koevoet van 17 mei 2005 waarin de servicekosten voor het laatst deugdelijk zijn gespecificeerd op een bedrag van € 87,10 per maand. Aangezien de servicekosten voor Koevoet sindsdien feitelijk alleen maar zijn gestegen, geldt dit bedrag volgens de kantonrechter ook voor de volgende jaren.
2.3. Tegen deze oordelen richt zich grief 1, waarin [appellant] (voor het eerst in appel) betoogt dat in 1991 een all-inhuurprijs is afgesproken van fl. 200,- per maand en dat die prijs nimmer op juiste wijze is aangepast en daarom altijd fl. 200,- dan wel het equivalent daarvan in euro's (€ 90,76) is blijven bedragen.
2.4. Ten aanzien van de bergruimte heeft de kantonrechter geoordeeld dat, blijkens de apart toegezonden facturen, sprake is van een afzonderlijke huurovereenkomst. Voorts achtte de kantonrechter van belang dat Koevoet ook op zelfde wijze handelt jegens andere huurders indien zij een bergruimte huren.
Tegen dit oordeel richt zich grief 2.
2.5. De kantonrechter heeft de reconventionele vordering van [appellant] afgewezen omdat hij noch voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van gebreken aan het gehuurde, noch dat hij daarvan deugdelijk melding heeft gemaakt aan Koevoet. Derhalve kon hij zich niet met vrucht op opschorting van zijn verplichting tot betaling van de huurpenningen beroepen.
Tegen dit oordeel richt zich grief 4.
2.6. Nadat de kantonrechter Koevoet in de gelegenheid had gesteld haar vordering aan te passen aan de oordelen van de kantonrechter, heeft Koevoet de huurachterstand nader berekend op € 5.036,95. Dit bedrag heeft de kantonrechter toewijsbaar geacht en op grond van die achterstand de vordering tot ontruiming toegewezen. Tegen dat laatste oordeel richt zich grief 3, waarin [appellant] betoogt dat hij op terechte gronden zijn huurbetaling heeft opgeschort.
2.7. In grief 5 betoogt [appellant] dat de (resterende) huurachterstand niet de ontbinding van zijn huurovereenkomst rechtvaardigt.
2.8. De kantonrechter heeft vervolgens [appellant] in de kosten van de procedure veroordeeld. Daartegen richt zich ten slotte grief 6.