ECLI:NL:GHLEE:2012:BY1565
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Betalingen aan bestuurder voorafgaand aan faillissement niet onverplicht volgens artikel 42 Faillissementswet
In deze zaak stond centraal of vier betalingen van IPC aan EPC voorafgaand aan het faillissement van IPC onverplicht waren in de zin van artikel 42 Faillissementswet Pro, en dus vernietigbaar. De curator stelde dat deze betalingen onrechtmatig en selectief waren verricht, waardoor schuldeisers werden benadeeld.
Het hof stelde vast dat de betalingen voldeden aan opeisbare vorderingen uit hoofde van een koop- en licentieovereenkomst en dat de curator onvoldoende had onderbouwd dat EPC had afgezien van het recht nakoming te vorderen. Hierdoor waren de betalingen niet onverplicht en konden zij niet worden vernietigd.
Daarnaast oordeelde het hof dat er geen sprake was van onrechtmatig handelen door EPC en haar bestuurder, aangezien de curator onvoldoende concrete feiten had aangevoerd die een ernstig verwijt konden rechtvaardigen. De vorderingen van de curator werden daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof heeft de vorderingen van de curator afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.