ECLI:NL:GHLEE:2012:BY5354
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststellingsovereenkomst en beroep op dwaling bij terugvordering geld zonder toestemming
In deze civiele zaak stond centraal of een schuldbekentenis tussen kleindochter en grootmoeder kon worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst en of een beroep op dwaling gegrond was. De appellant had zonder toestemming geld opgenomen van de bankrekening van de geïntimeerde, waarna partijen een document tekenden waarin de appellant een schuld van €10.000 erkende en een afbetalingsregeling overeenkwam.
De rechtbank wees de vordering van de geïntimeerde toe en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof overwoog dat de schuldbekentenis voldoet aan de voorwaarden van een vaststellingsovereenkomst volgens artikel 7:900 BW Pro, omdat partijen zich aan de afspraken hebben gebonden om onzekerheid over de schuld te voorkomen. Het beroep op dwaling strandde omdat de appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat zij niet begreep waarvoor zij tekende.
Verder werd geoordeeld dat er geen sprake was van misbruik van omstandigheden of bedreiging, mede omdat meerdere familieleden bij de ondertekening aanwezig waren. De wettelijke rente werd vastgesteld vanaf 15 april 2010, de datum waarop de vordering opeisbaar werd na het uitblijven van betalingen. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van €10.200 met wettelijke rente vanaf 15 april 2010.