ECLI:NL:GHSGR:2006:AV3322
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.M.E. In 't Velt-Meijer
- C.G. Beyer-Lazonder
- J.E.H.M. Pinckaers
- Rechtspraak.nl
Geen kennelijk onredelijke opzegging dienstverband wegens bedrijfseconomische redenen
Appellant trad in 1991 in dienst bij Van der Giessen-de Noord en vervulde de functie van bedrijfsleider voormontage. Van der Giessen-de Noord vroeg in december 2002 toestemming aan de CWI om het dienstverband met 170 werknemers, waaronder appellant, op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. De CWI verleende toestemming en het dienstverband werd opgezegd per 31 maart 2003.
Appellant vorderde bij de rechtbank dat de opzegging als kennelijk onredelijk werd verklaard en dat hij een schadevergoeding zou ontvangen. Hij stelde dat de bedrijfseconomische redenen een voorgewende reden waren, dat het anciënniteitsbeginsel werd geschonden en dat hem onvoorwaardelijk was toegezegd dat zijn functie zou blijven bestaan. De rechtbank wees zijn vordering af, omdat voldoende was aangetoond dat het ontslag noodzakelijk was en er geen sprake was van strijd met het anciënniteitsbeginsel.
In hoger beroep betwist appellant de financiële onderbouwing van de reorganisatie en stelt dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen. Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd waarom de financiële stukken ontoereikend zijn en dat de reorganisatie en het ontslag binnen de redelijke ondernemersvrijheid vallen. Ook het bewijsaanbod omtrent de functieclassificatie wordt gepasseerd wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hof stelt vast dat de vergoeding conform het sociaal plan is vastgesteld en dat het feit dat latere ontslagen hogere vergoedingen kregen, niet betekent dat de vergoeding van appellant onbillijk is. De grief faalt en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd, met veroordeling van appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat het ontslag wegens bedrijfseconomische redenen niet kennelijk onredelijk was en wijst de schadevergoeding af.