ECLI:NL:GHSGR:2006:AW4938
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- A. Dupain
- A.H. de Wild
- G. Dulek-Schermers
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid verblijf tbs-passant en schadevergoeding bij wachttijd tbs-kliniek
In deze zaak staat centraal de onrechtmatigheid van het verblijf van appellant als tbs-passant, met name de periode waarin hij niet in een tbs-kliniek verbleef. De executietermijn van de tbs-maatregel begon op 28 juli 1993, terwijl appellant pas op 18 januari 1995 in de Pompekliniek werd geplaatst. Gedurende de tussenliggende periode verbleef hij onder meer in een huis van bewaring en het Dr. F.S. Meijers Instituut.
Appellant vorderde een schadevergoeding van ƒ 66.000,- wegens het verblijf als tbs-passant langer dan 90 dagen, met een vergoeding van ƒ 150,- per dag. De rechtbank achtte het verblijf onrechtmatig na twaalf maanden en kende ƒ 17.400,- toe. Het hof stelde echter vast dat een passantentermijn van vier maanden niet onrechtmatig is, behoudens bijzondere omstandigheden, en dat het verblijf in het Meijers Instituut niet onrechtmatig was omdat daar passende behandeling plaatsvond.
Het hof baseerde zich op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat een wachttijd van zes maanden onacceptabel acht, maar enige frictie toelaat. De schadevergoeding werd uiteindelijk vastgesteld op € 3.176,46, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 mei 1997. Tevens werd de proceskostenveroordeling in eerste aanleg gecompenseerd en werd appellant veroordeeld tot terugbetaling van teveel ontvangen schadevergoeding.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 3.176,46 schadevergoeding met rente; het verblijf in het Meijers Instituut was niet onrechtmatig.