ECLI:NL:GHSGR:2006:AX1069
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- A.A. Schuering
- M.H. van Coeverden
- G.H. Bunt
- Rechtspraak.nl
Uitleg CAO-bepaling over invaliditeitspensioen en WAO-hiaatverzekering
De zaak betreft de uitleg van CAO-bepalingen inzake een invaliditeitspensioen en de zogenaamde WAO-hiaatverzekering. Werknemer was arbeidsongeschikt geraakt en ontving een WAO-uitkering met een hiaat tussen twee uitkeringsbedragen. Hij vorderde aanvulling van zijn WAO-uitkering tot 70% van zijn laatstverdiende salaris, gebaseerd op de CAO en een vermeende toezegging van de werkgever.
De rechtbank had de vordering afgewezen nadat werknemer afzag van bewijslevering over een mondelinge toezegging. In hoger beroep stond centraal of werknemer aanspraak kon maken op het invaliditeitspensioen ondanks het einde van zijn dienstverband vóór het ingaan van het pensioen. Het hof oordeelde dat de CAO verwijst naar een pensioenfondsregeling met een duidelijke voorwaarde dat de werknemer op het moment van WAO-indeling nog in dienst moet zijn.
Het hof overwoog dat de CAO-regeling niet zodanig ongebruikelijk is dat werknemer erop mocht vertrouwen dat hij recht had op het invaliditeitspensioen na einde dienstverband. Ook het feit dat premie werd ingehouden, leidt niet tot een andere uitkomst. De grieven van werknemer faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, waarbij werknemer in de kosten werd veroordeeld.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank; werknemer heeft geen aanspraak op invaliditeitspensioen na einde dienstverband.