ECLI:NL:GHSGR:2006:AY7392
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Tijnagel
- Savelbergh
- Van Walderveen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verkrijgingsprijs aandelen vennootschap per 1 januari 2001
Belanghebbende, enig aandeelhouder van een vennootschap, betwistte de door de Inspecteur vastgestelde verkrijgingsprijs van zijn aandelen per 1 januari 2001. De Inspecteur had deze prijs vastgesteld op ƒ 62.000 (€ 28.135), terwijl belanghebbende een hogere verkrijgingsprijs van ƒ 909.400 stelde, gebaseerd op eerdere aandelenverwervingen en schuldvorderingen.
Het geschil spitste zich toe op de toepassing van artikel 4.36 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de vraag of het negatieve vervreemdingsvoordeel van de verkoop van aandelen in een andere vennootschap moest worden meegenomen bij de vaststelling van de verkrijgingsprijs. Het hof oordeelde dat het negatieve vervreemdingsvoordeel van ƒ 61.250 bij de verkrijgingsprijs van de aandelen in de vennootschap moet worden gevoegd, waardoor de verkrijgingsprijs op ƒ 123.250 wordt vastgesteld.
Het hof verwierp het primaire standpunt van de Inspecteur dat het negatieve vervreemdingsvoordeel niet opnieuw mocht worden meegenomen omdat dit al in de aanslag was verwerkt. Tevens verwierp het hof het standpunt van belanghebbende dat artikel 70c, lid 2, van de Wet niet van toepassing zou zijn op schuldvorderingen omgezet in aandelenkapitaal vóór 1997.
Daarnaast veroordeelde het hof de Inspecteur in de proceskosten van € 966 en gelastte de Staat het griffierecht van € 37 aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2006.
Uitkomst: De verkrijgingsprijs van de aandelen in de vennootschap wordt vastgesteld op ƒ 123.250 (€ 55.929).