ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ1167
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen verkrijging erfdienstbaarheid door verjaring vóór 2012 wegens overgangsrecht
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een erfdienstbaarheid van weg door verjaring was ontstaan vóór 1 januari 2012. Appellanten betoogden dat niet art. 3:314 BW Pro, maar art. 95 Overgangswet Pro NBW bepalend is, omdat bezit van niet-voortdurende en niet-zichtbare erfdienstbaarheden pas vanaf 1 januari 1992 kan worden aangenomen. Dit is cruciaal voor het aanvangsmoment van de verjaringstermijn.
Het hof onderschreef dat de feitelijke situatie die de verjaring zou doen aanvangen dateert van vóór 1992 en dat art. 95 Ow Pro het bezit van dergelijke erfdienstbaarheden pas vanaf die datum erkent. Hierdoor kan de verkrijging door bevrijdende verjaring, conform art. 3:105 BW Pro en de twintigjarige verjaringstermijn van art. 3:306 BW Pro, niet eerder plaatsvinden dan 1 januari 2012.
De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de geïntimeerden reeds een recht van overpad hadden verkregen. Het hof vernietigde daarom het vonnis en wees de vorderingen af. Tevens veroordeelde het hof de geïntimeerden in de kosten van het geding. Deze uitspraak bevestigt het belang van het overgangsrecht bij de verkrijging van niet-voortdurende erfdienstbaarheden.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de vorderingen af omdat de erfdienstbaarheid niet vóór 2012 door verjaring kon worden verkregen.