ECLI:NL:GHSGR:2007:BB6672

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
18 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/8 KG
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid in verzet wegens bekendheid verstekvonnis

In deze civiele zaak vorderde geïntimeerde dat appellanten, [Appellant 1] en Strategos B.V., een lastercampagne zouden staken. Appellanten verschenen niet bij de kortgedingzitting, waarna verstek werd verleend en de vorderingen grotendeels toegewezen. Appellanten kwamen in verzet tegen het verstekvonnis, maar werden door de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig indienen van het verzet.

De voorzieningenrechter baseerde dit oordeel op het feit dat [Appellant 1] het verstekvonnis op 10 april 2006 aan zijn advocaat had overhandigd in het kader van het verzoek om juridische bijstand, wat volgens art. 143 Rv Pro impliceert dat hij bekend was met het vonnis. Appellanten stelden echter dat deze daad niet noodzakelijkerwijs betekende dat zij daadwerkelijk bekend waren met de inhoud van het vonnis, omdat het overhandigen van een stapel stukken zonder specifieke kennis van de inhoud niet voldoet aan de vereiste "daad van bekendheid".

Het hof oordeelt dat in het algemeen het overhandigen van het verstekvonnis aan de advocaat en het verzoek om juridische bijstand wel degelijk de vereiste bekendheid impliceert, behoudens bijzondere omstandigheden. Omdat appellanten dergelijke omstandigheden hebben aangevoerd, wordt hen de gelegenheid geboden deze te bewijzen. Tot die tijd wordt verdere beslissing aangehouden en wordt een getuigenverhoor gepland.

Dit arrest bevestigt de strikte toepassing van de verzetstermijn en de interpretatie van de daad van bekendheid, waarbij de rechter ruimte laat voor bewijs van uitzonderlijke situaties die tot een andere conclusie kunnen leiden.

Uitkomst: Appellanten worden toegelaten tot bewijslevering over bijzondere omstandigheden die de veronderstelde bekendheid met het verstekvonnis kunnen weerleggen; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

Uitspraak: 18 oktober 2007
Rolnr. 07/8 KG
Rolnr. rb.: KG ZA 06-594
HET GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van
1. [APPELLANT 1],
wonende te [plaatsnaam],
hierna: [Appellant 1],
2. STRATEGOS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
hierna: Strategos,
appellanten,
procureur: mr. E. Grabandt,
tegen
[GEïNTIMEERDE],
wonende te [plaatsnaam],
hierna: [geïntimeerde],
geïntimeerde,
procureur: mr. A.M.M. van der Valk.
Het geding
Bij exploot van 27 september 2006 hebben [appellant 1] en Strategos hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2006 gewezen tussen [appellant 1] en Strategos als opposanten in conventie/verweerders in reconventie en [geïntimeerde] als geopposeerde in conventie/eiser in reconventie. Bij memorie van grieven (met producties) hebben [appellant 1] en Strategos tegen dit vonnis zes grieven aangevoerd die door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Tenslotte hebben partijen stukken gefourneerd en arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] heeft [appellant 1] en Strategos in kort geding doen dagvaarden en gevorderd, kort samengevat, dat [appellant 1] en Strategos worden gelast de door hen tegen [geïntimeerde] gevoerde lastercampagne te staken en gestaakt te houden, met nevenvorderingen. [appellant 1] en Strategos zijn op de behandeling van het kort geding niet verschenen. De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis van 28 maart 2006 verstek tegen [appellant 1] en Strategos verleend en de vorderingen van [geïntimeerde] voor een groot gedeelte toegewezen. Bij verzetdagvaarding van 21 juni 2006 zijn [appellant 1] en Strategos tegen dit vonnis in verzet gekomen. De voorzieningenrechter heeft hen in haar thans in appel bestreden vonnis van 30 augustus 2006 niet ontvankelijk verklaard in hun verzet. Zij overwoog dat uit de brief van 12 juni 2006 van de advocaat van [appellant 1] en Strategos blijkt en als onweersproken vaststaat, dat [appellant 1] op 10 april 2006 zijn raadsman het verstekvonnis van 28 maart 2006 heeft overhandigd en dat, nu hij dat gedaan heeft in het verband van het verzoek om juridische bijstand mede met betrekking tot dat vonnis, uit deze daad noodzakelijk voortvloeit dat [appellant 1] en Strategos bekend zijn geworden met het verstekvonnis en de inhoud daarvan in de zin van art. 143 Rv Pro.
1.2 De grieven richten zich alle tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant 1] en Strategos niet-ontvankelijk zijn in hun verzet. Zij voeren daartoe in hoofdzaak het volgende aan: de brief van de raadsman van [appellant 1] en Strategos, mr. Smith, van 12 juni 2006 kan niet aan [appellant 1] en Strategos worden toegerekend, die brief is door mr. Smith aan de deken geschreven in het kader van een tegen hem aanhangig gemaakte klacht, de door art. 143 Rv Pro. vereiste daad van bekendheid moet naar buiten zijn gericht, daarvan is in dit geval geen sprake nu [appellant 1] een stapel stukken aan zijn advocaat heeft overhandigd, [appellant 1] werd op het moment dat hij naar mr. Smith stapte overstelpt met allerlei exploten, hij heeft heel de stapel stukken opgepakt en op het bordje van mr. Smith gelegd, zonder zich bewust te zijn van de inhoud van de diverse stukken en de implicaties daarvan, hieruit volgt dus niet noodzakelijkerwijs dat [appellant 1] op het moment van het achterlaten van die stapel wetenschap had van (de inhoud van) het verstekvonnis, voor een “vermoeden van bekendheid” is geen plaats.
1.3 Het hof oordeelt als volgt. In zijn brief van 12 juni 2006 schrijft mr. Smith dat [appellant 1] hem op 10 april 2006 heeft verzocht hem en zijn besloten vennootschap Strategos juridische bijstand te verlenen, dat deze juridische bijstand betrekking had op enkele reeds aanhangig gemaakte en aangekondigde procedures en dat [appellant 1] hem een verstekvonnis van 28 maart 2006 in de procedure tegen [geïntimeerde] overhandigde. [appellant 1] heeft de feiten die mr. Smith aldus heeft vermeld niet weersproken en geen grief is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter, dat het handelen van [appellant 1] in deze tevens beschouwd kan worden als handelen van Strategos. Het hof is van oordeel dat in het algemeen en behoudens bijzondere, door [appellant 1] en Strategos aan te voeren omstandigheden, aangenomen zal moeten worden dat uit het overhandigen van het verstekvonnis aan zijn advocaat en het daaraan verbonden verzoek hem en Strategos terzake juridisch bij te staan, de bekendheid van [appellant 1] (en daarmee van Strategos) met het verstekvonnis noodzakelijk voortvloeit. Aangezien [appellant 1] en Strategos evenwel bijzondere omstandigheden hebben aangevoerd die, indien juist, ertoe zouden kunnen leiden dat die gevolgtrekking in dit geval niet mag worden gemaakt, zal het hof [appellant 1] en Strategos in de gelegenheid stellen die omstandigheden te bewijzen.
1.4 In afwachting van de bewijslevering zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.
Beslissing
Het hof:
- laat [appellant 1] en Strategos toe tot de hierboven in r.o. 1.3 bedoelde bewijslevering;
- bepaalt dat indien zij bewijs door getuigen wensen te leveren, het getuigenverhoor zal worden gehouden in één der lokalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan nr. 60 te ’s-Gravenhage, ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. S.A. Boele, op woensdag 28 november 2007 te 10.00 uur, dan wel, indien een der partijen binnen twee weken na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen voor de maanden december 2007 en januari 2008, opgeeft verhinderd te zijn, op een door de raadsheer-commissaris nader te bepalen datum en tijdstip;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, S.A. Boele en G. Dulek-Schermers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2007, in aanwezigheid van de griffier.