ECLI:NL:GHSGR:2008:BC7748
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- M.J. van der Ven
- V. Disselkoen
- S.R. Mellema
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kennelijk onredelijk ontslag en vergoeding na ontslag op staande voet
Werknemer was sinds 1982 in dienst bij Marskramer en werd in 2002 beschuldigd van verduistering, maar vrijgesproken. Na intern onderzoek werd werknemer op 18 februari 2003 op staande voet ontslagen wegens het in bezit hebben van een koelkastje van Marskramer zonder betaling. Werknemer betwistte de geldigheid van het ontslag en stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was.
De rechtbank wees de vordering tot vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag af, maar kende een gefixeerde schadevergoeding toe wegens onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Zowel werknemer als Marskramer gingen in hoger beroep tegen verschillende onderdelen van de vonnissen.
Het hof oordeelde dat werknemer het recht had om het beroep op nietigheid van het ontslag op staande voet te laten varen en zich te beroepen op kennelijk onredelijkheid. Het ontslag op staande voet was niet rechtsgeldig omdat er geen dringende reden was. Het ontslag was kennelijk onredelijk vanwege het langdurige dienstverband, de onterechte beschuldiging en de wijze van beëindiging zonder financiële compensatie.
Het hof veroordeelde Marskramer tot betaling van een billijke vergoeding van €17.500 aan werknemer en compenseerde de kosten van het hoger beroep. De overige grieven van partijen werden afgewezen en het vonnis van 3 februari 2005 werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet was niet rechtsgeldig en kennelijk onredelijk, waardoor werknemer recht heeft op een billijke vergoeding van €17.500.