ECLI:NL:GHSGR:2008:BC8171

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C 06/720
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 lid 2 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verplichting verkoper tot terugbetaling kosten aanschrijving woning

In deze zaak stond centraal of de verkoper gehouden was de koper te vrijwaren voor kosten voortvloeiend uit een gemeentelijke aanschrijving op de verkochte woning. De koopovereenkomst van 15 juni 2004 vermeldde dat de koper het risico droeg voor latere aanschrijvingen, maar in de leveringsakte van 31 augustus 2004 werd een lagere koopsom vermeld en een vrijwaring door de verkoper opgenomen.

De koper had de aanschrijvingskosten van € 12.218,48 aan de gemeente voldaan en vorderde deze terugbetaling van de verkoper. De verkoper betwistte onder meer dat de koopprijs was verlaagd en stelde dat een deel zwart was betaald als vergoeding voor geleverde goederen, hetgeen in hoger beroep niet werd gehandhaafd.

Het hof oordeelde dat de leveringsakte als authentieke akte dwingend bewijs levert en dat de verkoper onvoldoende tegenbewijs had geleverd. De rechtbank had de vordering van de koper terecht toegewezen en het hof bekrachtigde dit vonnis, waarbij de verkoper tevens werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de verkoper de koper moet vrijwaren en veroordeelt hem tot terugbetaling van de aanschrijvingskosten en betaling van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector handel
Rolnummer : 06/720
Rolnummer Rechtbank : 242023/HA ZA 05-1970
arrest van de derde civiele kamer d.d. 19 maart 2008
inzake
1. [VERKOPER 1],
wonende te [woonplaats], gemeente [X],
2. [DE VERKOPER],
wonende te [woonplaats], gemeente [X],
appellanten,
hierna te noemen: [de verkoper] (enkelvoud mannelijk),
procureur: mr. R.Th.R.F. Carli,
tegen
[DE KOPER],
wonende te [Woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [de koper],
procureur: mr. W. Heemskerk..
Het geding
De bij tussenarrest van 14 juni 2006 bevolen comparitie heeft plaatsgehad op 7 september 2006. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [de verkoper] bij memorie van grieven (met producties) zes grieven aangevoerd, die door [de koper] bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Hierop hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis van 12 april 2006 vastgestelde feiten zijn, behoudens de hoogte van de koopprijs van de woning – het hof komt hier nog op terug – niet betwist, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.
2. Het gaat in dit geding, zakelijk weergegeven, om het volgende.
(i) [de verkoper] heeft bij door partijen getekende koopovereenkomst van 15 juni 2004 aan [de koper] de ten processe bedoelde woning verkocht. Blijkens deze koopovereenkomst berust op de koper het risico van latere aanschrijvingen van overheidswege (artikel 11 lid Pro 3).
(ii) Op 30 augustus 2004 hebben partijen een verklaring getekend, zakelijk inhoudende dat partijen een verlaging van de koopprijs tot € 60.000,-- hebben afgesproken in verband met de extreme toestand van de woning.(prod. 1 mvgr)
(iii) De woning is vervolgens op 31 augustus 2004 geleverd aan [de koper]. De daarvan opgemaakte leveringsakte vermeldt als koopsom een bedrag van € 60.000,--, alsmede (in artikel 5) dat de woning is bezwaard met twee aanschrijvingen (geregistreerd respectievelijk op 15 juli 2003 en 17 augustus 2004) en dat verkoper koper vrijwaardt voor de gevolgen daarvan.
3. De eerste (onder 2.iii genoemde) aanschrijving van 2003 is voor deze procedure niet relevant. Over de tweede aanschrijving is thans een geschil ontstaan.
Deze tweede aanschrijving is van 9 augustus 2004 en is, zoals in de leveringsakte vermeld, op 17 augustus 2004 ingeschreven in het Hypotheekregister van het Kadaster. Omdat niet tijdig (binnen 10 werkdagen) aan de aanschrijving is voldaan (niet betwiste r.o. 5.2 bestreden vonnis) heeft de gemeente de werkzaamheden doen uitvoeren en vervolgens de kosten ad € 12.218,48 bij [de koper] in rekening gebracht.
4. [de koper] heeft genoemd bedrag in rechte gevorderd van [de verkoper]. Deze vordering is bij het thans bestreden vonnis toegewezen. De rechtbank heeft zich daarbij gebaseerd op artikel 5 van Pro de leveringsakte. [de verkoper] komt hier met vijf grieven tegen op. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5. Artikel 5 van Pro de leveringsakte verplicht [de verkoper] als verkoper om [de koper] te vrijwaren voor de gevolgen van de betreffende aanschrijving. Dit betekent dat, afgaande op deze bepaling in de leveringsakte, [de verkoper] de betreffende kosten aan [de koper] moet terugbetalen, ingeval [de koper] deze kosten aan de gemeente heeft voldaan.
6. Voorzover [de verkoper] met zijn tweede grief wil betwisten dat [de koper] dit bedrag aan kosten heeft voldaan, wordt deze grief verworpen. De rechtbank heeft immers (in r.o. 5.3 van het bestreden vonnis) onbetwist overwogen dat [de koper] ter comparitie (in eerste aanleg) een betalingsbewijs terzake heeft getoond. [de verkoper] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat geen waarde toegekend zou dienen te worden aan dit betalingsbewijs. Het hof gaat daarom uit van de juistheid ervan. Dit betekent dat als vaststaand wordt aangenomen dat [de koper] deze betaling heeft verricht. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat [de koper] ter gelegenheid van deze comparitie heeft verklaard de eerste aanschrijving ad € 12.208,-- niet betaald te hebben omdat deze op de oude eigenaar loopt. Dit betreft immers een andere aanschrijving (de eerste uit 2003).
7. Naar het hof begrijpt betoogt [de verkoper] met zijn grieven met name dat artikel 5 van Pro de leveringsakte niet de werkelijke bedoeling van partijen weergeeft. De oorspronkelijke koopsom van € 95.000,-- zou, aldus [de verkoper], juist in verband met deze aanschrijvingen zijn teruggebracht naar € 60.000,--. Hij verwijst daartoe naar de door partijen getekende verklaring van 30 augustus 2004 van die strekking (zie r.o. 2.ii). Er zou sprake zijn van “een omissie” in de leveringsakte (een na laatste alinea bij de toelichting op grief 3). [de koper] was immers, aldus nog steeds [de verkoper], in de koopakte van 15 juni 2006 (artikel 11 lid Pro 3) uitdrukkelijk akkoord gegaan met het nemen van het risico van aanschrijvingen ná het totstandkomen van de overeenkomst (zie r.o. 2.i).
8. [de koper] heeft gemotiveerd betwist dat de koopsom is teruggebracht van € 95.000,-- naar
€ 60.000,--. Naar zijn zeggen is weliswaar via de notaris slechts € 60.000,-- betaald, maar het restant ten bedrage van € 33.000,-- is daarnaast (onder drang van [de verkoper]) in vier termijnen zwart aan [de verkoper] betaald. De verklaring van 30 augustus 2004 was bedoeld om de notaris zand in de ogen te strooien.
9. [de verkoper] heeft ter comparitie in eerste aanleg erkend dat hij in vier termijnen een totaal bedrag van € 33.000,-- heeft ontvangen van [de koper]. Hiervoor heeft hij, naar zijn zeggen, goederen, te weten schilderijen en spullen uit de nalatenschap van zijn moeder, geleverd aan [de koper].
[de verkoper] heeft deze stelling in eerste aanleg, inhoudende dat voor dit bedrag goederen zijn geleverd aan [de koper] in hoger beroep niet gehandhaafd, laat staan nader onderbouwd en/of te bewijzen aangeboden. Het hof gaat dan ook aan deze stelling voorbij en gaat uit van de juistheid van het terzake door [de koper] gestelde. Hiermee ontvalt de inhoudelijke grondslag aan het verweer van [de verkoper] dat de koopsom van de woning is teruggebracht in verband met de aanschrijvingen. Reeds hierom is er dan ook geen aanwijzing dat artikel 5 in Pro de leveringsakte een omissie betreft. Hier komt nog het volgende bij.
10. De leveringsakte is een authentieke akte. Hetgeen daarin is opgenomen levert tussen partijen, behoudens tegenbewijs, dwingend bewijs op van de waarheid daarvan (art. 157 lid 2 Rv Pro). [de verkoper] heeft, behoudens het voorgaande, geen feiten gesteld, die indien bewezen, tot de conclusie nopen dat de betreffende passage in de leveringsakte niet op waarheid berust. Evenmin heeft hij tegenbewijs terzake aangeboden. Dit betekent dat van de juistheid van het gestelde in artikel 5 van Pro de leveringsakte dient te worden uitgegaan. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat in de koopovereenkomst van 15 juni 2004 in artikel 11 een Pro andersluidende afspraak stond vermeld. De grieven 1, 3 en 4 falen.
11. Grief 5 is niet deugdelijk onderbouwd en faalt, gelet op het voorgaande eveneens. Voorts verwijst het hof naar – de niet betwiste – r.o. 5.2 in het bestreden vonnis, waar het hof zich mee verenigt.
12. Grief 6 faalt, en wel reeds op grond van hetgeen in r.o. 9 is overwogen. Van ongerechtvaardigde verrijking is geen sprake.
13. De rechtbank heeft de vordering van [de koper] terecht toegewezen. Grief 2 faalt eveneens. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd met veroordeling van [de verkoper] in de kosten van het hoger beroep.
Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt [de verkoper] in de kosten van het hoger beroep, tot zover aan de zijde van [de koper] begroot op € 399,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris van de procureur.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, Th.W.H.E. Schmitz, en J.A. van Kempen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2008 in aanwezigheid van de griffier.