ECLI:NL:GHSGR:2009:BH0184
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- S.C.H. Koning
- C.G.M. van Rijnberk
- I.M. Abels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel en ontnemingsmaatregel in drugshandelzaak
In hoger beroep heeft het gerechtshof het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde vastgesteld op €839.203,15, lager dan de oorspronkelijke vordering van het openbaar ministerie. De zaak betreft een strafrechtelijke ontnemingsprocedure naar aanleiding van bewezenverklaarde feiten van medeplegen van handel in verdovende middelen.
Het hof heeft diverse verweren van de verdediging onderzocht, waaronder de juridische status van het gezinsvermogen, het beginvermogen, en de eigendom van verschillende activa. Het hof oordeelde dat het vermogen van de echtgenote en kinderen meegewogen moet worden in de vermogensvergelijking, ondanks huwelijkse voorwaarden. Tevens werd vastgesteld dat de veroordeelde meer legale inkomsten had dan aanvankelijk aangenomen.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op een uitgebreide vermogensvergelijking, waarbij het beginvermogen, legale inkomsten, uitgaven en het eindvermogen zijn betrokken. Diverse onroerende goederen, voertuigen, horloges en andere activa zijn meegenomen in de waardering. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op €830.000,-, met een beperkte matiging vanwege eerdere geldboetes.
Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €839.203,15 en legt een betalingsverplichting van €830.000,- op aan de veroordeelde.