ECLI:NL:HR:2011:BO1590

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02319 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 414 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste toepassing proces-verbaal in hoger beroep ontnemingszaak

In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. Tijdens het hoger beroep werd op het laatste moment een proces-verbaal van politie overgelegd door de Advocaat-Generaal, dat betrekking had op vrijwaringsbewijzen van tweedehands verkochte auto's. De verdediging maakte bezwaar tegen deze late overlegging en verzocht het hof het proces-verbaal buiten beschouwing te laten of de zaak aan te houden voor nadere bestudering.

Het hof besloot bij arrest het proces-verbaal buiten beschouwing te laten, terwijl het tijdens de zitting de toelating ervan had toegestaan. De Hoge Raad oordeelt dat dit in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde en de toepasselijke wettelijke regels, waaronder art. 414 lid 1 Sv Pro, die toelaten dat nieuwe bescheiden worden overgelegd mits dit tijdig en zorgvuldig gebeurt.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof eerst de overlegging van het proces-verbaal heeft toegestaan en pas na sluiting van het onderzoek besloot het buiten beschouwing te laten, wat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de daarop gebaseerde uitspraak. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

11 januari 2011
Strafkamer
Nr. 09/02319 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 januari 2009, nummer 22/000553-06, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. De beroepen zijn ingesteld door de betrokkene en de Advocaat-Generaal bij het Hof.
1.2. Namens de betrokkene hebben mr. F.G.L. van Ardenne en mr. N. Flikkenschild, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
1.3. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof voorgestelde middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een ter terechtzitting door de Advocaat-Generaal overgelegd proces-verbaal van politie buiten beschouwing dient te worden gelaten.
2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
"Op verzoek van de raadsman onderbreekt het hof het onderzoek voor tien minuten teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen het proces-verbaal betreffende de vrijwaringsbewijzen te bestuderen.
Het hof hervat het onderzoek.
(...)
De raadsman van de medeveroordeelde maakt bezwaar tegen de overlegging van het proces-verbaal inzake de vrijwaringsbewijzen. De raadsman sluit zich hierbij aan.
(...)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities. In aanvulling daarop voert hij - zakelijk weergegeven - aan:
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard. Dat standpunt berust op de volgende pijlers: (...) b) op het laatste moment zijn nog stukken ingebracht die mogelijk een belangrijke rol bij de beraadslaging spelen. De verdediging heeft zich door de late verstrekking niet adequaat kunnen voorbereiden. Dat is mijns inziens in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Ik doel daarbij niet alleen op (...) maar ook op het proces-verbaal betreffende de door de raadsman van de medeveroordeelde [medebetrokkene 1] overgelegde vrijwaringsbewijzen.
Ten aanzien van het proces-verbaal betreffende de vrijwaringsbewijzen verzoek ik het hof dat proces-verbaal bij de beraadslaging buiten beschouwing te laten. Indien het hof van oordeel is dat aan dat proces-verbaal enig belang voor een eventuele vaststelling van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden toegekend, dan verzoek ik u de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de inhoud van dat proces-verbaal. (...)."
2.3. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak dienaangaande het volgende overwogen:
"In de omstandigheid dat de veroordeelde en diens raadsman eerst ter terechtzitting in hoger beroep van
14 november 2008 zijn geconfronteerd met het - op de valreep ingediende - proces-verbaal van politie over de betekenis van het niet vinden van bevestiging in de boekhoudingen van bezit van auto's waarop overgelegde vrijwaringsbewijzen van tweedehands verkochte auto's steunen, ziet het hof aanleiding voornoemd proces-verbaal buiten beschouwing te laten."
2.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge het ook in ontnemingszaken toepasselijke art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de betrokkene bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt.
Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de betrokkene het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging dienen te betrekken (vgl. HR 29 juni 2010, LJN BL7709, NJ 2010/409).
2.5. Tegen de achtergrond van de gang van zaken ter terechtzitting in hoger beroep, zoals die blijkt uit het hiervoor onder 2.2 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, en in het licht van de omstandigheid dat het Hof eerst bij arrest heeft beslist het door de Advocaat-Generaal overgelegde proces-verbaal van politie buiten beschouwing te laten, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het Hof eerst de overlegging van dat proces-verbaal door de Advocaat-Generaal heeft toegestaan en vervolgens - dus na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting - heeft geoordeeld dat dit proces-verbaal bij de beraadslaging buiten beschouwing moet worden gelaten. Daarmee heeft het Hof hetgeen hiervoor is vooropgesteld miskend. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
2.6. Het middel is gegrond.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het namens de betrokkene voorgestelde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 11 januari 2011.