ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2698
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Dijk
- Van den Wildenberg
- Mink
- Rechtspraak.nl
Beëindiging uithuisplaatsing minderjarigen en traject terugplaatsing
De ouders zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die machtiging gaf tot uithuisplaatsing van hun kinderen gedurende de periode van 15 juli 2008 tot 16 april 2009. De ouders betoogden dat de noodzaak voor uithuisplaatsing ontbrak vanwege hun stabiele woonsituatie, inkomen en hulpverlening, en dat de uithuisplaatsing een schending van artikel 8 EVRM Pro opleverde.
De Raad voor de Kinderbescherming stelde dat er nog onvoldoende sprake was van een stabiele opvoedingssituatie en dat de ouders hun motivatie en zelfstandigheid gedurende langere tijd moesten aantonen. Het hof stelde vast dat er eerder zorgen waren over de verzorging en opvoeding, maar dat de situatie inmiddels was verbeterd: de ouders wonen sinds april 2008 op een vaste locatie, hebben hun persoonlijke problematiek onder controle, en de hulpverlening aan de moeder is afgesloten.
De omgang met de kinderen verloopt goed, inclusief overnachtingen, en de kinderen kunnen dichtbij hun woning naar school. Het hof oordeelde dat de gronden voor uithuisplaatsing niet langer aanwezig zijn, maar dat de ondertoezichtstelling gehandhaafd blijft om toezicht te waarborgen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom met ingang van 1 maart 2009 beëindigd, en Jeugdzorg dient het terugplaatsingstraject in te zetten.
De bestreden beschikking wordt voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft vernietigd en het verzoek van de Raad afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de overige onderdelen van de beschikking blijven in stand.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen wordt met ingang van 1 maart 2009 beëindigd, ondertoezichtstelling blijft gehandhaafd.