ECLI:NL:GHSGR:2009:BH8943
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- G. Dulek-Schermers
- A.E.A.M. van Waesberghe
- M.J. Kuiper
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot executie Nederlandse straf na levenslange Duitse vrijheidsstraf en verjaring
De zaak betreft de vraag of de Nederlandse Staat bevoegd is om een in 1977 opgelegde gevangenisstraf van 20 jaar nog uit te voeren, nadat de veroordeelde een levenslange gevangenisstraf in Duitsland heeft uitgezeten. [Appellant] werd in 1978 tijdelijk aan Duitsland uitgeleverd en in 1980 tot levenslang veroordeeld. De Nederlandse Staat stelde dat de verjaringstermijn van 24 jaar niet doorliep tijdens de Duitse detentie.
[Appellant] voerde aan dat de Nederlandse straf gelijktijdig met de Duitse straf was uitgezeten en dat de Staat hem gerechtvaardigd vertrouwen had gegeven dat de Nederlandse straf niet meer zou worden uitgevoerd, onder meer op basis van een brief van 7 november 1980. Het hof oordeelt dat de verjaring niet doorliep omdat vrijheidsstraffen achtereenvolgens worden uitgevoerd en dat de Duitse detentie niet als tijdelijke terbeschikkingstelling gold.
Het hof stelt dat de brief van 7 november 1980 geen afstand van executierecht inhoudt en dat er geen besluit is genomen om de Nederlandse straf niet uit te voeren. Het vertrouwen dat de Staat zou afzien van executie is niet gerechtvaardigd. Ook het argument dat executie na jaren van vrijheid onmenselijk zou zijn, wordt verworpen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt [appellant] in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse Staat tot executie van de straf en wijst het beroep van [appellant] af.