ECLI:NL:GHSGR:2009:BK9652
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aanvangstijdstip invorderingsrente bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting
Belanghebbende stelde dat het aanvangstijdstip voor de berekening van de te vergoeden invorderingsrente 1 maart 2005 moest zijn, terwijl de Ontvanger 1 januari 2006 als aanvangstijdstip hanteerde. De zaak betrof een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2005, opgelegd op 31 januari 2005, met betaling in elf maandelijkse termijnen, waarvan de eerste verviel op 28 februari 2005.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna belanghebbende in hoger beroep ging. Het hof oordeelde dat op grond van artikel 28, lid 5, Invorderingswet 1990, de invorderingsrente enkelvoudig wordt berekend vanaf de dag na de vervaldag van de enige of laatste betalingstermijn. Omdat de aanslag in meerdere termijnen invorderbaar was, gold niet het aanvangstijdstip van 1 maart 2005, maar dat van 1 januari 2006.
Het hof verwees naar de parlementaire geschiedenis van artikel 9 Invorderingswet Pro 1990, waarin het pay-as-you-go-beginsel en de regeling van betalingstermijnen worden toegelicht. Ook de betalingskorting die belanghebbende had ontvangen bij een eenmalige betaling veranderde hier niets aan. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Proceskosten werden niet aan de Ontvanger opgelegd.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat het aanvangstijdstip voor de invorderingsrente 1 januari 2006 is en wijst het hoger beroep af.