ECLI:NL:GHSGR:2009:BX3002

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.023.001-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 RvArt. 249 RvArt. 250 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling afstand van instantie en proceskostenveroordeling bij niet bestaande partij

In deze civiele procedure heeft Intermediair Assurantiën B.V., in liquidatie, afstand gedaan van instantie in hoger beroep tegen een vonnis van 25 juni 2008. Het hof bevestigde dat door deze afstand het hoger beroep niet langer aanhangig is en partijen terugkeren naar de situatie alsof het hoger beroep niet was ingesteld.

[Geïntimeerde] verzocht het hof om een bevelschrift uit te vaardigen voor de betaling van proceskosten die zij in het hoger beroep heeft gemaakt, en deze kosten ten laste te brengen van de advocaat van Intermediair of de eigenaar van Intermediair. Het hof oordeelde dat Intermediair verplicht is deze proceskosten te betalen, ondanks haar status als in liquidatie verkerende vennootschap, omdat zij voortbestaat voor de vereffening van haar vermogen.

De proceskosten werden vastgesteld op €1.750,-, bestaande uit griffierecht en advocaatkosten. Het hof wees het verzoek af om de kosten op de advocaat of eigenaar persoonlijk te verhalen, omdat de vordering onderdeel is van de vereffening van Intermediair.

Het arrest werd uitgesproken op 24 november 2009 door het Gerechtshof 's-Gravenhage, waarbij het hof de proceskostenveroordeling bevestigde en het overige verzoek afwees.

Uitkomst: Intermediair wordt veroordeeld tot betaling van €1.750,- proceskosten aan [geïntimeerde], verzoek tot persoonlijke kostenverhaal op advocaat of eigenaar wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummer : 200.023.001/01
Rolnummer rechtbank : 04-3573
Bevelschrift van de eerste civiele kamer d.d. 24 november 2009
inzake
INTERMEDIAIR ASSURANTIËN B.V. in liquidatie,
(voorheen) gevestigd te Zwolle,
appellante,
tevens verzoekster tot afstand van instantie,
hierna te noemen: Intermediair,
advocaat: mr. O.E.R.A.M. van der Vlies te Alphen aan den Rijn,
tegen
[Naam] B.V.,
gevestigd te Diemen,
geïntimeerde,
tevens verzoekster tot kostenveroordeling,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. E.J. Rasker te Amsterdam.
Het geding
Het hof verwijst voor het verloop van het geding tot dan toe naar zijn tussenarrest van 17 februari 2009. De daarin bevolen comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009 en van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. Intermediair heeft daarna een akte afstand van instantie, met een productie, genomen waarop [geïntimeerde] bij akte, eveneens met producties, heeft gereageerd. Daarbij heeft [geïntimeerde] het hof verzocht om ter zake van de door haar gemaakte proceskosten een bevelschrift uit te vaardigen, alsmede om de kosten ten laste te brengen van mr. Van der Vlies voornoemd als de advocaat van Intermediair, danwel ten laste van [Naam] (het hof begrijpt: [Naam], hierna: [X]) als de eigenaar van Intermediair. Bij brief van 30 oktober 2009 heeft mr. Van der Vlies mede namens [X] zijn standpunt ter zake van laatstgemeld verzoek naar voren gebracht.
Beoordeling van het verzoek
1. Intermediair heeft in voormelde akte, onder overlegging van de daarvoor benodigde bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 250, tweede lid van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv), afstand gedaan van instantie. [geïntimeerde] heeft zich daartegen niet verzet. Dat betekent dat partijen van rechtswege zijn hersteld in de toestand van het geding als ware het hoger beroep tegen het tussen partijen gewezen vonnis van 25 juni 2008 niet aanhangig gemaakt.
2. [geïntimeerde] heeft het hof bij akte verzocht ter zake van de door Intermediair te betalen kosten op de voet van artikel 254 Rv Pro (het hof leest: artikel 250, vierde lid Rv) een bevelschrift uit te vaardigen, alsmede om dit bevelschrift met toepassing van het bepaalde in artikel 245 Rv Pro ten laste te brengen van mr. Van der Vlies, danwel [X], beiden in persoon. [geïntimeerde] heeft daarbij aangevoerd dat Intermediair niet bestaat en ook niet bestaan heeft ten tijde van het instellen van het hoger beroep.
3. Ingevolge het bepaalde in artikel 249, tweede lid Rv is Intermediair verplicht de in het hoger beroep door [geïntimeerde] gemaakte proceskosten te betalen. Het hof stelt deze kosten vast op € 1.750,-, zijnde de som van het door [geïntimeerde] betaalde griffierecht ad € 409,- en de overeenkomstig het geldende liquidatietarief berekende kosten van de advocaat ad € 1.341,- (1 1/2 punt in tariefgroep II voor bijwoning comparitie en genomen akte).
4. Het hof ziet geen aanleiding om dit bevelschrift (tevens) ten laste te brengen van mr. Van der Vlies of [X], aangezien Intermediair als in liquidatie verkerende vennootschap ook na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is en mr. Van der Vlies in zijn brief van 30 oktober 2009 voorts heeft aangegeven dat de in de onderhavige procedure spelende vordering van [geïntimeerde] op Intermediair van deze vereffening onderdeel uitmaakt.
Beslissing
Het hof:
- Beveelt de betaling door Intermediair aan [geïntimeerde] van de door laatstgenoemde in het hoger beroep gemaakte proceskosten en stelt deze vast op € 1.750,-;
- Wijst het overigens verzochte af.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, G. Dulek-Schermers en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2009 in aanwezigheid van de griffier.