ECLI:NL:GHSGR:2010:BK9807

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
105.006.266-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling zorgplicht waterschap bij overstroming door vermeende duikerverstopping

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard nalatig was in het onderhoud van een duiker onder de Wildersekade, wat zou hebben geleid tot een overstroming van het bedrijfsterrein van appellant op 19 september 2001.

Appellant voerde aan dat de duiker verstopt was door gebrekkig onderhoud en bracht diverse getuigenverklaringen in om dit te onderbouwen. Het hof heeft de verklaringen van getuigen van beide partijen zorgvuldig gewogen, waaronder verklaringen over het onderhoud en de staat van de duiker kort na de overstroming.

De verklaringen van getuigen die door appellant waren gehoord, boden geen overtuigend bewijs dat de duiker op de bewuste datum verstopt was. Getuigen van het waterschap verklaarden dat inspecties geen obstructies in de duiker hadden aangetoond. Het hof concludeerde dat appellant niet had bewezen dat het waterschap tekort was geschoten in haar zorgplicht.

Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en werd appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten zijn vastgesteld op een bedrag van € 2.982,- vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en appellant niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering wegens onvoldoende bewijs van nalatig onderhoud.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummer : 105.006.266/01
Rolnummer (oud) : 07/401
Rolnummer rechtbank : 04-1465
arrest van de eerste civiele kamer d.d. 19 januari 2010
inzake
[Naam] (als rechtsopvolger van de v.o.f. [naam]),
wonende te Rotterdam,
appellante,
hierna te noemen: [appellant], onderscheidenlijk de firma,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage,
tegen
HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD (als rechtsopvolger van het Hoogheemraadschap van Schieland),
zetelende te Rotterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: het Hoogheemraadschap,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage.
Het vervolg van het geding
Het hof heeft in deze zaak op 10 februari 2009 een tussenarrest gewezen. Het verwijst daarnaar voor het verloop van het geding tot dat tijdstip. Partijen hebben vervolgens getuigen doen horen. [appellant] heeft daarna een akte genomen en partijen hebben elk een memorie na enquête ingediend. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en wederom arrest gevraagd.
Verdere beoordeling van het hoger beroep
1. Bij voormeld tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten te bewijzen:
a. dat de naast haar perceel gelegen duiker onder de Wildersekade op 19 september 2001 verstopt was wegens niet plegen van noodzakelijk onderhoud door het Hoogheemraadschap;
b. dat deze verstopping de overstroming van haar bedrijfsterrein heeft veroorzaakt.
[appellant] heeft als getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (ten tijde van de litigieuze overstroming firmanten van de firma) doen horen, alsmede […] (buurman; verder: [getuige 3]) en […] (omwonende; verder: [getuige 4]). Het Hoogheemraadschap heeft als getuigen […] (werknemer; verder: [getuige 5]) en […] (loonwerker; verder: [getuige 6]) voorgebracht.
2. De getuigenverklaringen houden voor zover van belang het volgende in. [Getuige1] heeft verklaard dat hij wist dat de bewuste duiker op 19 september 2001 niet werkte, maar feiten en omstandigheden ten bewijze van een verstopping van de duiker door slecht onderhoud heeft hij niet aangedragen. [Getuige 2] heeft verklaard dat hij gezien heeft dat een paar mannen enkele dagen na 19 september 2001 handmatig met een schep rommel uit de duiker haalden, maar dat betekent naar het oordeel van het hof nog niet dat de duiker op 19 september verstopt was; dat kan eveneens zijn gedaan terwijl de duiker nog in overwegende mate de afvoer van water toeliet. Hij heeft voorts verklaard dat de op de wal liggende rommel, waarvan een foto door [appellant] als bijlage 4 bij de dagvaarding in eerste aanleg bij de rechtbank is overgelegd, allemaal uit de duiker kwam, maar die verklaring is op dit punt ongeloofwaardig, aangezien onder de foto is vermeld dat de foto de restanten van de oude duiker laat zien, het Hoogheemraadschap onbetwist heeft aangevoerd dat het kort na 19 september 2001 het oude houten rooster met vlonder voor de duiker heeft laten vervangen en op de foto duidelijk te zien is dat de rommel voor een belangrijk deel uit houten sloopmateriaal bestaat. Daarmee komt overeen dat [getuige 3] heeft verklaard dat de foto de palen en de rotzooi laten zien die uit het werk (bestaande uit de vervanging van de duikeringang) zijn gekomen. [getuige 3] heeft overigens niets verklaard dat kan bijdragen tot het bewijs dat de betreffende duiker op 19 september 2001 verstopt was. [getuige 4] heeft uitdrukkelijk medegedeeld dat hij niets kan verklaren over de vraag of op of voor 19 september 2001 met het onderhoud van deze specifieke duiker wat mis was, en dat hij nooit in de duiker heeft gekeken. Ook zijn verklaring draagt derhalve niet bij aan het te leveren bewijs. [getuige 6], die als ingeleende loonwerker kort na 19 september 2001 werkzaamheden ter vervanging van de duikeringang heeft verricht, heeft verklaard dat hij toen in duiker heeft gekeken, dat hij toen niets heeft gezien dat de doorstroming zou kunnen tegenhouden en dat de duiker volgens hem goed werkte. [getuige 5] heeft verklaard dat hij van mensen van het ingehuurde bedrijf heeft gehoord dat zij in de duiker hebben gekeken en geen materiaal hebben gezien.
3. Het bovenstaande brengt het hof tot de slotsom dat [appellant] er niet in is geslaagd te bewijzen dat de litigieuze duiker op 19 september 2001 verstopt was wegens niet plegen van noodzakelijk onderhoud door het Hoogheemraadschap. Dat leidt ertoe dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen. Daarbij past een kostenveroordeling van [appellant]. Tot die kosten behoren de nakosten. Het hof zal de nakosten, anders dan de Staat vraagt, thans niet vaststellen, omdat de vaststelling van de kosten ingevolge artikel 237, derde lid, Rv beperkt blijft tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.
Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2006 en 10 januari 2007;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van het Hoogheemraadschap tot op heden vastgesteld op € 300,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.V. van den Berg en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2010 in aanwezigheid van de griffier.