ECLI:NL:GHSGR:2010:BL0677
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over terugvordering heffingskorting na voorlopige teruggave op rekening echtgenoot
Belanghebbende en haar toenmalige echtgenoot waren in 2004 fiscale partners en stonden ingeschreven op hetzelfde adres. In september 2004 heeft een belastingadviseur namens belanghebbende een verzoek ingediend voor voorlopige teruggave van de algemene heffingskorting. Deze teruggave van € 1.825 werd in januari 2005 gestort op de bankrekening van haar echtgenoot.
Later werd aan belanghebbende een definitieve aanslag opgelegd waarbij het overschot van € 502 werd teruggevorderd. Belanghebbende betwistte dit en voerde onder meer aan dat zij geen verzoek had gedaan, geen volmacht had gegeven, en het bedrag niet op haar eigen rekening was gestort. De rechtbank vernietigde de aanslag omdat belanghebbende niet rechtsgeldig vertegenwoordigd zou zijn geweest.
Het hof oordeelt echter dat de Inspecteur niet verplicht was het verzoek verder te toetsen en dat de voorlopige teruggave rechtsgeldig is toegekend. Ook het feit dat de teruggave op de rekening van de echtgenoot is gestort, doet hieraan niet af. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de aanslag bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de aanslag en oordeelt dat de Inspecteur het overschot aan heffingskorting mag terugvorderen van belanghebbende.