4.5.3. Eiseres heeft haar, door verweerder betwiste, stellingen over de omvang van de
inkomsten uit de verhuur van de panden, welke - naar zij stelt doch de rechtbank niet
aannemelijk acht - ten goede aan haar vader zijn gekomen, geenszins onderbouwd maar vrijwel volledig volstaan met blote stellingen. Het door haar overgelegde afschrift van een
Excel-bestand (zoals weergegeven in het controlerapport onder 4.1) waaruit - naar de
rechtbank begrijpt - volgens eiseres de door haar vader berekende opbrengsten zouden
blijken, is onvoldoende duidelijk en is verder zelf ook niet onderbouwd. De rechtbank houdt
de door de controlerend ambtenaar berekende winstcorrecties voor de jaren 2000
(f 252.524), 2001 (f 239.687), 2002 (€ 143.463), 2003 (€ 166.210) en 2004 (€ 241.081) dan
ook voor juist. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat, zoals uit hetgeen onder
punt 4 van het controlerapport betreffende de winstberekening kan worden afgeleid, de
controlerend ambtenaar de berekeningen zoveel mogelijk heeft gebaseerd op de gegevens
uit de eigen administratie van eiseres, daaronder begrepen voormeld Excel-bestand van haar
adviseur met daarin de door hem berekende resultaten, en op uitlatingen van eiseres zelf
over bijvoorbeeld de gehanteerde tarieven voor de verhuur van kamers alsmede uit de bij
verweerder overigens bekende gegevens. De berekening is naar het oordeel van de
rechtbank dan ook alleszins redelijk, zodat sprake is van redelijke schattingen.
4.5.4. De onder 4.5.3. genoemde winstcorrecties leiden tot een belastbaar inkomen (2000)
respectievelijke belastbare inkomens uit werk en woning (2001-2004) van € 112.441 (2000),
€ 111.263 (2001), € 123.278 (2002), € 148.917 (2003) en € 231.646 (2004). Hierbij is rekening gehouden met de bij de primaire aanslagen in aanmerking genomen beheervergoedingen voor de jaren 2001 tot en met 2004 alsmede met een lager bedrag aan in aanmerking te nemen beroeps kosten voor het jaar 2000.
4.5.5. De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat niet is gebleken
dat de uitspraken op bezwaar, en de daarbij gehandhaafde (navorderings)aanslag(en)
IB/PVV voor de jaren 2002 tot en met 2004, onjuist zijn. De (navorderings)aanslag(en) voor
die jaren berusten op een redelijke schatting, zodat de beroepen tegen die (navorderings)- aanslag(en) ongegrond zijn. Voor de navorderingsaanslagen IB/PVV voor 2000 en 2001 geldt
dat deze naar een hoger belastbaar inkomen respectievelijk belastbaar inkomen uit werk en
woning zijn vastgesteld dan waarop de controlerend ambtenaar dit in het controlerapport heeft
berekend. Zoals verweerder ter zitting desgevraagd heeft erkend, dienen die aanslagen in over- eenstemming te worden gebracht met de onder 4.5.4. voor die jaren genoemde bedragen van € 112.441 (2000) en € 111.263 (2001). De beroepen tegen de navorderingsaanslagen 113/PVV 2000 en 2001 zijn derhalve in zoverre gegrond. Nu het voor die jaren herberekende belastbare
inkomen (uit werk en woning) op een redelijke schatting berust, is er geen aanleiding die
aanslagen nog verder te verlagen.