ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1998

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
29 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
BK-09/00711
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt hogere proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke belastingzaak

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen aanslagen onroerende zaakbelastingen en rioolrechten over 2005, waarna de Inspecteur de aanslagen verminderde maar de kostenvergoeding weigerde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en kende een kostenvergoeding toe, maar het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het hoger beroep ongegrond. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en verwees de zaak terug.

Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft na verwijzing vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding, omdat hij onder meer een conclusie van repliek heeft ingediend en ter zitting is verschenen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die beperking van de vergoeding rechtvaardigden.

Het hof stelde de vergoeding vast op € 201,25 en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten van € 483 en griffierecht van € 459. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 29 juni 2010 door drie raadsheren.

Uitkomst: Het Gerechtshof verhoogt de proceskostenvergoeding aan belanghebbende tot € 201,25 en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten en griffierechten.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE
Sector belasting
Nummer BK-09/00711
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 29 juni 2010
op het beroep van [belanghebbende] C.V. te [Z], belanghebbende, tegen de uitspraak van de Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum, betreffende na te noemen aanslagen.
Aanslagen en bezwaar
1.1. Aan belanghebbende zijn door de Inspecteur voor het jaar 2005 een aanslag in de onroerende zaakbelastingen en een aanslag in de rioolrechten opgelegd.
1.2. Na tegen deze aanslagen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de aanslagen verminderd en het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase afgewezen.
Loop van het geding
2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 april 2006, procedurenummer AWB 05/3888, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover daarin geen kostenvergoeding is opgenomen, de door de Inspecteur aan belanghebbende ambtshalve toegekende kostenvergoeding bezwaarfase bevestigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 80,50 en vergoeding van het griffierecht van € 37 gelast.
2.2. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Dat Hof heeft bij uitspraak van 11 februari 2008, kenmerk 06/00225, het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
2.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld.
2.4. Bij arrest van 18 september 2009, nr. 07/11397, heeft de Hoge Raad de uitspraak van voornoemd Hof vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof).
2.5. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, van welke gelegenheid de Inspecteur wel doch belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt. Op de uitlating van de Inspecteur heeft belanghebbende niet gereageerd. Het Hof rekent de uitlating van de Inspecteur tot de gedingstukken.
2.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van
4 mei 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar is belanghebbende verschenen. De Inspecteur is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Vaststaande feiten
3.1. In het geding na verwijzing dient te worden uitgegaan van de door het Hof te Amsterdam onder 2.1.1. van zijn uitspraak, in cassatie niet bestreden, vastgestelde feiten.
Omschrijving geschil en standpunten van partijen
4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil het aantal toe te kennen punten als bedoeld in onderdeel A1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door belanghebbende bij de rechtbank verrichte proceshandelingen.
4.2. Voor de standpunten van partijen en voor de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen wordt verwezen naar de stukken van het geding.
Conclusies van partijen
5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vaststelling van een hogere proceskostenvergoeding.
5.2. De Inspecteur refereert aan het oordeel van het Hof.
Overwegingen omtrent het geschil
6.1. In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:
"3.2. Het tweede middel voert terecht aan dat de rechter, als hij met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in afwijking van de bijlage bij dit besluit een lagere proceskostenvergoeding vaststelt, dient te motiveren welke bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat de proceskostenvergoeding wordt beperkt. Nu een dergelijke motivering ontbreekt, slaagt het tweede middel.
(...)
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest (...)."
6.2. In het hoger beroepschrift heeft belanghebbende onweersproken gesteld dat hij in de procedure voor de rechtbank een conclusie van repliek heeft ingediend en ter zitting is verschenen.
6.3. Uit de gedingstukken zijn geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht gebleken. Mitsdien dient naar het oordeel van het Hof, conform de bij voornoemd Besluit behorende bijlage, anderhalf extra punt te worden toegekend, namelijk 0,5 punt voor de conclusie van repliek plus 1 punt voor het verschijnen ter zitting.
6.4. Nu de door de rechtbank toegepaste wegingsfactor van 0,25 in verband met het gewicht van de zaak niet in geschil is, stelt het Hof de proceskostenvergoeding vast op (2,5 x € 322 x 0,25 =) € 201,25.
6.5. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond.
Proceskosten en griffierecht
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 483 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof [6 punten (beroepschrift, conclusie van repliek, het verschijnen ter zitting van de rechtbank, hoger beroepschrift, conclusie van repliek, het verschijnen ter zitting van het Gerechthof Amsterdam, het verschijnen ter zitting van het Gerechtshof Den Haag) à € 322 x 0,25 (gewicht van de zaak)].Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 37, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 422 te worden vergoed.
Beslissing
Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- bevestigt de door de Inspecteur aan belanghebbende ambtshalve toegekende kostenvergoeding bezwaarfase van € 80,50;
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep en het hoger beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 483;
- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 459 aan griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, B. van Walderveen en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 29 juni 2010 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.