ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2277
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Mos-Verstraten
- Kamminga
- Linsen Penning-de Vries
- Rechtspraak.nl
Beëindiging uithuisplaatsing door Jeugdzorg en gevolgen voor machtiging
In deze zaak gaat het om de beëindiging van een uithuisplaatsing van een minderjarige door Jeugdzorg en de vraag of de oorspronkelijke machtiging tot uithuisplaatsing daarmee blijft bestaan. De moeder was in hoger beroep gegaan tegen de machtiging, omdat zij vreesde dat Jeugdzorg binnen drie maanden opnieuw tot uithuisplaatsing zou kunnen overgaan zonder rechterlijke tussenkomst.
Het hof overweegt dat de uithuisplaatsing een vorm van uitvoering is van de ondertoezichtstelling en dat de machtiging van de kinderrechter hiervoor noodzakelijk is. De Wet van 1995 scheidt de rechtspraak van de uitvoerende verantwoordelijkheid. Beëindiging van de uithuisplaatsing door Jeugdzorg op grond van artikel 1:263 BW Pro betekent dat de machtiging vervalt.
Het hof stelt dat hernieuwde uithuisplaatsing binnen de looptijd van de oorspronkelijke machtiging zonder nieuwe rechterlijke machtiging niet is toegestaan. Indien Jeugdzorg de machtiging niet wil verlengen, moet de raad voor de kinderbescherming een nieuw verzoek indienen. Hierdoor is het belang van de moeder bij het hoger beroep komen te vervallen en wordt zij niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep omdat de machtiging tot uithuisplaatsing door beëindiging vervalt.