Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. A.H. Vermeulen,
niet verschenen,
2. [de vader] ,
advocaat: mr. D. Rijpma.
3. Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
niet verschenen,
verweerders in cassatie
1.Inleiding en samenvatting
Het hof zag geen aanleiding om de beslissing in de zaak aan te houden in afwachting van een ex art. 810a lid 2 Rv door de moeder verzocht onderzoek, verslag van een bijzondere curator of onderzoek ex art. 810 Rv Pro door de raad, zoals door de moeder verzocht, omdat het voorgestelde onderzoek geen relevantie meer heeft voor de machtiging uithuisplaatsing, nu deze machtiging op 10 april 2020 is komen te vervallen.
Tevens wordt met diverse klachten opgekomen tegen de afwijzing van het verzochte deskundigenonderzoek (art. 810a lid 2 Rv) en onderzoek door de raad (art. 810 Rv Pro). Namens de moeder wordt onder andere gewezen op het rechtens relevante belang van de moeder bij toetsing van de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing, gelet op art. 8 EVRM Pro.
III. dat ex art. 810 Rv Pro het hof de raad opdracht geeft om bovenstaande vragen te onderzoeken en daarin advies uit te brengen, dan wel welke onderzoeksvragen het hof juist acht.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
par. 2.1van het cassatieverzoekschrift klaagt de moeder over het oordeel van het hof in rov. 5.12 dat de machtiging tot uithuisplaatsing is vervallen met de beschikking van de rechtbank van 10 april 2020 waarin zij de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vader heeft bepaald. Volgens het onderdeel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk. Het onderdeel betoogt daartoe dat een machtiging uithuisplaatsing ingevolge art. 1:265c lid 3 BW alleen vervalt indien deze niet door de GI binnen drie maanden ten uitvoer wordt gelegd. De onderhavige machtiging is wel ten uitvoer gelegd. Het onderdeel wijst erop dat de GI bij verweerschrift van 26 augustus 2020 heeft betoogd dat zij de machtiging tot uithuisplaatsing sinds de beschikking van de rechtbank van 10 april 2020 niet meer ten uitvoer legt. Dit impliceert dat de machtiging tot uithuisplaatsing op het moment dat het hoger beroep aanhangig is gemaakt, op 30 juni 2020, dus nog niet was komen te vervallen.
vervallen van de machtigingtot uithuisplaatsing. Het artikellid bepaalt dat een machtiging tot uithuisplaatsing vervalt indien deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. De bepaling ziet in ieder geval op de situatie dat de beoogde uithuisplaatsing niet is gerealiseerd dan wel niet op de wijze zoals in de machtiging bepaald en strekt ertoe te voorkomen dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt gebruikt als stok achter de deur om de betrokkenen tot de gewenste medewerking in de ondertoezichtstelling te brengen. [10] In de toelichting bij het amendement-Dijkstal c.s. bij de wet van 26 april 1995, op basis waarvan de tekst van het (toenmalige) artikel (1:262 lid 2 BW) is gewijzigd, staat dat met de gewijzigde formulering van de thans in lid 3 van art. 1:265c BW opgenomen tekst is beoogd duidelijk te maken dat een machtiging vervalt in alle gevallen waarin zij gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. [11]
feitelijke uithuisplaatsing, dan wel bekorting van de duur van die plaatsing: [13]
Ingevolge art. 1:265j lid 2 BW moet de gecertificeerde instelling die een uithuisplaatsing gedurende de termijn waarvoor zij is toegestaan wil beëindigen van het voornemen daartoe tijdig doch uiterlijk een maand voor het voorgenomen tijdstip van beëindiging en onder overlegging van een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing, mededeling doen aan de raad voor de kinderbescherming.
par. 2.1 en 2.2gedeeltelijk slagen. Mijns inziens dient dat echter niet tot vernietiging van de bestreden beschikking te leiden. Het hof heeft de rechtmatigheid van de machtiging over de periode van 4 april 2020 tot 10 april 2020 immers wel getoetst. De overwegingen die het hof geeft voor zijn oordeel dat de machtiging voor die periode rechtmatig is verleend zijn eveneens van toepassing op de periode na 10 april 2020. In rov. 5.13. heeft het hof geoordeeld dat de machtiging tot uithuisplaatsing destijds terecht en op goede gronden is verleend, alsmede dat de rechtbank deze beslissing voldoende heeft gemotiveerd. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank is het hof van oordeel dat op het moment van het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voldaan werd aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b, eerste lid, BW. Het hof memoreert dat de thuissituatie bij de moeder tot veel spanningen bij [het kind] heeft geleid, dat in de thuissituatie bij de vader [het kind] minder spanningen ervaart en dat hij de nodige ruimte van de vader krijgt om – onbelast – omgang te hebben met de moeder. Sinds [het kind] bij zijn vader woont ervaart hij meer rust. Derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het belang van [het kind] vergde dat de uithuisplaatsing van [het kind] bij de vader gecontinueerd diende te worden.
par. 3.5wordt geklaagd over de motivering die het hof heeft gegeven voor zijn oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing door de rechtbank op goede gronden is verleend, met name over de overweging in rov. 5.13 dat de thuissituatie tot spanningen bij [het kind] heeft geleid en dat [het kind] bij de vader ‘minder spanningen en meer rust ervaart’. Het onderdeel wijst erop dat evident is dát de situatie tot spanningen bij [het kind] heeft geleid, evenals dat [het kind] deze spanningen zolang hij bij de moeder woonde
aldaarondervond, maar dat het hof daarmee ten onrechte niets over de eigenlijke oorzaken en aanleidingen van de spanningen zegt, te weten de vechtscheiding tussen
beide ouders.
par. 3.6vormt een herhaling van onder andere de hiervoor reeds besproken voortbouwende klacht in par. 2.4 en deelt in het lot daarvan.
Par. 4.3van het cassatieverzoekschrift voegt daaraan toe dat, mede in samenhang met de art. 1:253a BW-zaak, maar ook op zichzelf, niet valt in te zien waarom het KSCD onderzoek ex post geen duidelijkheid kan bieden voor de vraag of destijds terecht een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, in het bijzonder tot uithuisplaatsing bij de vader. Volgens
par. 3.3 en 4.3van het cassatieverzoekschrift is juist gezien het door het hof in rov. 5.12 genoemde recht van de moeder op waarborging van het gezinsleven ex art. 8 EVRM Pro en haar rechtens relevante belang bij toetsing van de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing ex art. 8 EVRM Pro nader onderzoek relevant. Enkel tijdsverloop is onvoldoende motivering om over toekomstige betrekkingen tussen ouder en kind te oordelen. [26]
par. 4.2.2 als par. 5 en voetnoot 16op p. 5 van het cassatieverzoekschrift wijzen erop dat het KSCD onderzoek slechts om zeer feitelijke redenen achterwege is gebleven, namelijk omdat de gemeente waar [het kind] staat ingeschreven dit onderzoek niet financiert en dat het hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk geen rekening heeft gehouden met de als gevolg van de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [het kind] ontstane feitelijke onmogelijkheid om het aanvankelijk voorgenomen KSCD onderzoek uit te voeren en aldus ten onrechte dan wel onbegrijpelijk de beschikking van 31 maart 2020 betreffende de uithuisplaatsing heeft bekrachtigd en de aanvullende verzoeken van de moeder afgewezen.
in par. 3.1, die wijst op het belang van waarheidsvinding, kan niet slagen. Hoewel art. 810a lid 2 Rv wellicht mede de waarheidsvinding dient (maar zeker niet het hoofddoel is), volgt uit die bepaling immers dat niet ieder verzoek om een deskundigenonderzoek zoals bedoeld in die bepaling dient te worden toegewezen.
par. 3.4berust op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak of voldoet niet aan de daaraan ingevolge art. 407 Rv Pro te stellen eisen. Het hof heeft niet overwogen dat het onderzoek niet relevant is voor een uithuisplaatsing bij de moeder en wel bij de vader. Deze klacht stuit verder eveneens af op hetgeen ik onder 3.51 heb opgemerkt.
par. 4.2.2over het ontbreken van een (nadere) onderzoeksrapportage in opdracht van de GI of de raad kan niet slagen, omdat het ontbreken van een (nadere) onderzoeksrapportage op zichzelf geen grond vormt voor toewijzing van een verzocht onderzoek. Verder heeft het hof het verzochte onderzoek niet afgewezen op de grond dat er al een nader onderzoeksrapport voorhanden was.
par. 4.2.2, par. 5 en voetnoot 16over de als gevolg van wijziging van de hoofdverblijfplaats ontstane feitelijke onmogelijkheid om het aanvankelijk voorgenomen KSCD onderzoek uit te voeren. Deze klacht faalt omdat zij berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. Het hof heeft de feitelijke onmogelijkheid om het onderzoek uit te voeren in rov. 5.14 niet aan de afwijzing van het verzochte onderzoek ten grondslag gelegd. Daarnaast maakt de klacht niet duidelijk op welke wijze het hof in de beschikking over de uithuisplaatsing rekening had moeten houden met de als gevolg van de wijziging van de hoofdverblijfplaats feitelijke onmogelijkheid, althans bemoeilijkte financiering van het voorheen voorgenomen KSCD onderzoek.
Par. 4.3volstaat met de vermelding: ‘Dit regardeert tevens het aanvullend verzoek ex art. 810 Rv Pro tot een (op verzoek) bevolen onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.’ De rest van de paragraaf ziet afwisselend op het KSCD onderzoek en dan op het art. 810a lid 2 Rv hetzij art 810 kid Pro 1 Rv onderzoek. De paragraaf geeft zo wel heel algemeen aan dat ook over de afwijzing van het hof van het ex art. 810 Rv Pro verzochte onderzoek van de raad wordt geklaagd. Meerdere voorgaande paragrafen zien alleen op het verzoek ex art. 810a lid 2 Rv. Voorts vermeldt de toelichting op het verzoek in het beroepschrift: