Uitspraak
. [appellant 1],
[Bedrijf A] BEHEER B.V.,
[appellant 3],
[Bedrijf B] BEHEER B.V.,
[Bedrijf C] PROJECTEN B.V.,
[appellant 6],
[Bedrijf D] HOLDING B.V.,
DELFTZICHT BEHEER B.V.,
[Bedrijf E] BEHEER B.V.,
[Bedrijf F] TUINPROJECTEN B.V.,
Gerechtshof 's-Gravenhage
In deze civiele zaak stond centraal of de appellanten, als (indirecte) bestuurders van SDG, aansprakelijk konden worden gehouden voor het niet betalen van een ontbindingsvergoeding aan de werknemer [geïntimeerde]. De rechtbank had eerder geoordeeld dat er sprake was van betalingsonwil en onrechtmatig handelen, waardoor de vordering werd toegewezen.
Het hof oordeelde echter dat appellanten voldoende hadden gemotiveerd dat er sprake was van betalingsonmacht bij SDG, onderbouwd met balansen en bankafschriften die een gebrek aan liquiditeit en aanzienlijke verliezen aantoonden. De stellingen van [geïntimeerde] dat de betalingsonmacht door de bestuurders was bewerkstelligd, onder meer door het omleiden van het Shanghai-project en selectieve betaling aan crediteuren, werden onvoldoende feitelijk onderbouwd en verworpen.
Het hof vernietigde de vonnissen van de rechtbank en wees de vorderingen van [geïntimeerde] af. Tevens werd [geïntimeerde] veroordeeld tot terugbetaling van reeds ontvangen bedragen en in de proceskosten van beide instanties. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende feitelijke onderbouwing bij het aantonen van onrechtmatig handelen en betalingsonwil door bestuurders in faillissementscontext.
Uitkomst: Het hof vernietigt de vonnissen van de rechtbank en wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af wegens onvoldoende bewijs van betalingsonwil en onrechtmatig handelen door bestuurders.