ECLI:NL:HR:2001:AB2772
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en verrekening pensioenrechten bij echtscheiding in algehele gemeenschap van goederen
De zaak betreft een geschil over de verrekening van pensioenrechten tussen een man en een vrouw die in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd en vervolgens zijn gescheiden. De vrouw vorderde bij de rechtbank vaststelling van de verrekening van pensioenrechten, waarbij zij een bedrag van ƒ 8.101,-- eiste. De rechtbank wees de vordering toe, welke beslissing door het hof werd bekrachtigd.
De man stelde in hoger beroep en cassatie onder meer dat de verrekening niet contant had mogen plaatsvinden, maar slechts als een voorwaardelijk recht op basis van de contante waarde van het pensioen, gebonden aan het leven van beide echtgenoten. Het hof verwierp dit standpunt en oordeelde dat verrekening in principe voor de helft dient plaats te vinden, ongeacht de relatief korte duur van het huwelijk of andere omstandigheden zoals grievend gedrag.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte voorbijging aan de stelling van de man dat contante afrekening niet redelijk was en dat verrekening in lijn met het arrest van 27 november 1981 slechts door een voorwaardelijke uitkering kan plaatsvinden. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof onjuist had geoordeeld dat hernieuwde grieven tegen het tussenvonnis niet konden worden ingebracht. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling en beslissing terug naar het hof.
De Hoge Raad compenseerde de kosten van het cassatiegeding zodanig dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De zaak betreft belangrijke aspecten van pensioenverrekening bij echtscheiding, met nadruk op redelijkheid en billijkheid en de wijze van verrekening.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing over de pensioenverrekening.